Josevanrosmalen.nl
Home » Verhalen » Twee lijken, veel vragen

Twee lijken, veel vragen

 

Er was iets geknakt in Jacob. Zijn lieve Izabel was er niet meer. Hij huilde zachtjes voor zich uit. Aert wilde met hem naar de schout, maar daar was Jacob nog helemaal niet aan toe. Hij wilde zelfs het liefste in een hoekje blijven liggen en langzaam doodgaan. Hij zag geen licht meer, alleen maar duisternis.

Hij had het niet zo bedoeld, maar Izabel had zich door hem in de steek gelaten gevoeld. Hij had jammerlijk gefaald door haar niet zelf op te zoeken. Met brieven wist je nooit of ze ook zouden worden gelezen. Als iemand die brieven had ingepikt, dan zou hij hem of haar wel kunnen vermoorden. Hij dacht ineens grimmig aan het mes, dat hij vaak gebruikte om de vissen van hun kop en staart te ontdoen.

Hij voelde dat hij boos was, erg boos, niet alleen op zichzelf, maar ook op degene die tussen hem en Izabel in was gaan staan.

Wie zou dat kunnen zijn? Ik wil het weten!

Jacob stond op en zei ‘Aert, ik ga mee naar de schout.’  We moeten dit melden, we zullen toch ook verder moeten.

Aert was verbaasd dat Jacob zich ineens zo sterk toonde, maar hij dacht dat dit een goed teken was en maakte er verder geen woorden aan vuil.

Aert en Jacob liepen over het pad langs de IJssel naar de Dorpskerk en de huizen daar in de buurt.’ Kijk, de kerk heb ik nog zien bouwen’, zegt Aert, ‘ik was toen nog een jonge kerel. Nu zijn we twintig jaar verder, maar de kerk ziet er nog als nieuw uit.’

De schout was thuis. Aert klopte op de deur. Hij had het eigenlijk niet zo op met gezagsdragers, laatst had hij nog problemen gehad met die man van het Waterschap. Gelukkig had hij die mooi om de tuin weten te leiden. Anders was hij aan de armoede overgeleverd en had hij Jacob moeten zeggen, dat hij voortaan kon fluiten naar zijn florijnen. Dat wilde hij die arme knaap van 23 niet aandoen, zeker niet nu het met zijn liefje zo tragisch was afgelopen.

De schout vroeg de mannen binnen te komen. ‘Lui, wat kan ik voor jullie doen.’

 ‘Gij weet natuurlijk van die vermiste vrouw’, begon Aert, die keukenmeid Izabel die in het Slot werkte. We hebben samen overal gezocht en uiteindelijk vonden we een geheime deur in de kelder. Jacob zag die deur, terwijl ik hem steeds over het hoofd zag. Toen kregen we een schok, we hebben haar daar gezien, aan een touw. Het lijkt er op dat ze zichzelf heeft opgehangen.

Jacob zei met een betraand gezicht dat Izabel en hij vorig jaar in de bosjes achter het Slot elkaar hadden beloofd te gaan trouwen. Over de vrijpartijtjes zweeg hij maar liever, dat ging een ander niks aan. Ook al waren andere vrouwen nog zo bekoorlijk, hij had er nog steeds geen belangstelling voor.

De schout pakte drie pullen en schonk voor de gasten en zichzelf bier. ‘Bier helpt tegen verdriet mannen.’ Hij stak ook zijn pijp op en knikte vriendelijk. Het witte schuim vulde zijn snor.

‘We moeten het lijk gaan schouwen, dat is duidelijk. Maar ik wil ook graag weten of de vrouw problemen had.’

Jacob tastte in zijn jaszak en viste de brief van Izabel er uit. Hij legde hem op de tafel naast de pul van de brigadier. ‘Dit is haar afscheidsbrief’.’

‘Ze dacht dat ik haar was vergeten, maar iemand moet de brieven die ik schreef hebben verdonkeremaand.’

‘We zullen hem of haar wel vinden. De vraag is of je de man of vrouw in onze gevangenis bij het Slot kunt opsluiten, dan moet bewezen worden dat de zelfmoord door hem of haar is veroorzaakt.’

 Jacob wist niet zoveel van rechtspraak af en zei ‘ik zou hem aan de hoogste boom willen ophangen.’ ‘Het kan ook een vrouw zijn, die op het Slot werkt en de brieven als eerste ziet’. De schout wilde alle mogelijkheden onderzoeken. Hij had een hekel aan valse beschuldigingen.

Hij wist dat de misdaad in Capelle de laatste jaren steeds maar toenam, vooral door lastige jongeren en vreemdelingen die naar Capelle kwamen. Trouwens ook die rijke Van der Veecken met zijn dure Slot was natuurlijk een vreemdeling, een Belg die hier de grote jongen is komen uithangen. En dan was hij nog katholiek ook en kwam hij nooit in de Dorpskerk. Hij had zijn eigen kerkdiensten in het Slot. Neen, dan had hij toch liever met eenvoudige vissers te maken, met hetzelfde geloof als hij.

Na een tweede pul hadden de mannen moed verzameld en kwamen ze aan bij het Slot. De schout had zijn penning bij zich.

Een meisje opende de deur, ‘Ik ben Trui, ik ben hier na Izabel komen werken, ik roep mijn bazin even.’

‘Goede middag heren, wat brengt u hier op deze vrijdagmiddag? ‘

De  schout nam het woord. Deze mannen hebben mij de vondst van een dode vrouw gemeld, hier in de kelder van het Slot. Met uw welnemen wil ik daar een kijkje nemen. De bazin, Geesje,  snoof met tegenzin de bierlucht op en zei, ‘ik begrijp dat dit bij uw werk hoort, volgt u mij maar, ik licht u voor met een kaars.’

Het licht flakkerde tegen de muren, de mannen zagen zichzelf terug in de vorm van bewegende schaduwen op de wanden. Schout den Ouden kwam hier niet graag. Jacob wees naar de deur die hij eerder had gevonden. ‘Bent u hier zonder mijn toestemming al eerder geweest’,  klonk het scherp uit Geesjes’ mond.

‘Ik was bevriend met Izabel, de brieven die ik haar schreef zijn verdwenen. ‘Ik hebt nooit brieven van u gezien’ zegt Geesje, ‘maar goed hier moeten we dus zijn.’

Geesje zag nu het lijk bungelen. Ze begon een gebed te prevelen. ‘Och heer, och heer, dat is Izabel, nog in het uniform dat ze droeg als ze aan tafel de glazen van de hoge heren moest bijschenken. Wat vreselijk, we dachten na haar verdwijning dat ze in de IJssel verdronken zou zijn en mee zou zijn gesleurd in het koude water. Dit hadden we niet verwacht, zo iets gruwelijks.’

Den Ouden nam de toon aan van de ervaren gezagsdrager. “Het lijk moet worden afgelegd en we moeten zorgen voor een begrafenis. Ik kan geen sporen van geweld ontdekken. De vrouw moet in wanhoop het touw om haar hoofd hebben gespannen en is toen gestikt. Het raadsel dat blijft is het motief, kan dat te maken hebben met de verdwenen brieven?’

Geesje zei, ‘Heren ik zorg boven voor een mok thee, die luxe hebben we hier op het Slot.’ In de salonstoelen voelden de mannen zich onwennig; ze zagen schilderijen aan de muur van chique mannen en vrouwen en van diverse veldslagen. ‘Dit hebben we nog nooit gedronken’, zei Aert, ‘het is de eerste keer dat ik het zie. Het komt zeker van ver?’

‘Ja, door die schepen komen wij Hollanders nu op allerlei plaatsen en in de steden komen nu burgers met geld, dat ze aan de handel verdienen. Meneer van der Veecken heeft in Rotterdam ook het Schielandhuis. Met de paardenkoets is het ruim een uur rijden.’ ‘Hij verdient goed aan de handel.’

Schout den Ouden vroeg nog een keer naar de brieven. ‘Hoe komt hier de post binnen? ‘

‘Meestal gaat dat via een bode of afgezant, dan komen er verzegelde enveloppen voor de heer van der Veecken. Het is niet mijn taak het zegel te verbreken.’

 ‘Het keukenpersoneel ontvangt vrijwel nooit post, die vrouwen hebben weinig opleiding en lezen ook weinig.’ Jacob voelde dat hij als een leugenaar werd weggezet, want hij had wel degelijk die brieven geschreven. De brief van Izabel was in ieder geval het bewijs dat zij hem geschreven had.

Hij overwoog dat de bezorger van de post verkeerde bedoelingen kon  hebben gehad, die vrijgezel uit de  Dorpsstraat die met een handkar allerlei klussen deed. Met die Egbert moest hij zeker ook praten.

Maar nu hier in de salon hield hij wijselijk zijn mond. Hij keek nog één keer naar Geesje met haar hooggesloten jurk en strenge blik. Toen ze hem strak aankeek, sloeg hij zijn ogen neer; in die kleine onderlinge krachtmeting dolf hij het onderspit. Die vrouw gaf geen krimp.

De jonge vrouw van negentien werd vlakbij de Dorpskerk begraven. In de stoet liepen Aert, Jacob, Trui, Geesje en Dirk Den Ouden mee. Ook de enige zus en broer van de zes kinderen van Izabels ouders die nog leefden, waren er bij. De kasteelheer had een bloemstuk laten bezorgen. Egbert bracht het met zijn handkar.

 

 

 

 

Dirk Jan baalde. Hij zat achter zijn pc en ging zelf eens kijken wat hij over dat Slot kon vinden. Met die aanbouw moest hij nou toch even wachten. Die regelneven bij de gemeente ook altijd, als eerlijke vrije jongen was je meestal de pineut, misschien was dat in de zeventiende eeuw ook al zo.

Tegenwoordig hoor je veel over de banken die geld verspillen, maar die kasteelheren konden er vroeger ook wat van. Die Van der Veecken liet aan het begin van de Gouden eeuw zo’n protserig Slot bouwen, alsof hij nog een middeleeuwse ridder was, maar die Middeleeuwen waren toch echt allang voorbij. 

Een lijk in je tuin, dat maak je niet elke dag mee.  Zou er iemand toen wat te verbergen hebben gehad. Zouden er nog meer lijken uit de kast komen?

Hij had wel pas gelezen dat er in de kelders van het Slot ooit een dood meisje is aangetroffen. Hij kwam door te zoeken op internet meer over haar te weten.

Een vierdejaars geschiedenisstudente, Sabine Vermeer, blijkt archiefonderzoek te hebben gedaan naar de misdaad in Holland in de zeventiende eeuw. Bij haar onderzoek stuitte ze onder meer op aantekeningen van schout Den Ouden die in het begin van de zeventiende eeuw in Capelle werkte. Tegenwoordig noem je zo iemand een brigadier, meldde Sabine in een voetnoot van haar scriptie.

In het voorjaar van 1616 schreef Den Ouden dat hij samen met twee vissers,  een ‘dood wicht’ in de kelders van het Slot heeft aangetroffen. Ze was overleden door ‘verhanging’. De vrouw was negentien jaar oud en ze had een brief achtergelaten aan haar vrijer, die haar in de steek had gelaten.  Die vrijer was de jongste van de twee vissers. De doopnaam van het meisje was Izabella.

Dirk Jan probeerde te denken zoals een detective. Er is hier bij het Slot een dood meisje gevonden.  Rond die tijd is er ook een man vermoord, met messteken. Zouden beide zaken met elkaar verband kunnen houden? Is er iemand die haar dood wilde wreken, een minnaar bijvoorbeeld? Je zou dan moeten weten of die moord kort na de zelfmoord plaatsvond en of het slachtoffer en de dader iets met het meisje te maken zouden kunnen hebben.

Zou het ook kunnen, bedacht Dirk Jan, dat de moord eerst heeft plaatsgevonden en daarna pas de zelfmoord? Zou het kunnen dat het ‘onschuldige meisje’,  niet zo onschuldig was. Ook nu kende hij wel vrouwen die niet zo onschuldig waren als ze zich voordeden, hij moest onwillekeurig denken aan een ex-vriendin die hem ooit financieel probeerde te plukken.

Maar hoe het precies zat is natuurlijk koffiedik kijken, bedacht hij. Wat we weten is dat het kasteel in 1615 werd voltooid en dat de eerste eigenaar, Van Der Veecken er niet zo lang heeft gewoond. In 1616 overleed hij.

De melding van de zelfdoding is van het voorjaar 1616, Van Der Veecken moet toen nog geleefd hebben. Het is aannemelijk dat hij iets gehoord heeft over het dode meisje.  Zou bij zijn leven ook nog die moord zijn gepleegd? 

 

Het zou goed zijn als er verder gespit kan worden in het materiaal van Den Ouden, zodat het raadsel misschien kan worden ontsluierd. Zijn er bijvoorbeeld mannen uit deze buurt in die periode rond 1616 plotseling verdwenen. Zou er daarbij een verband kunnen worden gelegd met ‘het arme wicht Izabel.’. Dirk jan begreep dat Wallander, Baantjer of Maigret hier wel raad mee zouden weten. Maar ja het is nu zoveel jaar geleden, dit is wel heel erg een ‘cold case’.

Dirk Jan zette de dingen op een rijtje. Hij had het gevoel dat hij iets verder kwam. De dode man was bij de Slotgracht aangetroffen; hij was ongeveer  25 jaar ouder dan Izabel.

Het zou mooi zijn als we ook zijn naam te weten zouden komen, het lijk een gezicht zouden kunnen geven. Aan elk mens is immers een verhaal verbonden.

Hij stuurde een mailtje naar de brigadier aan het Slotplein. Ik ben aantekeningen op het spoor gekomen van een collega van u, maar dan wel een van vierhonderd jaar terug. Hij heette Dirk den Ouden. Hij heeft in de kelders van het Slot in 1616 een dood meisje aangetroffen dat zichzelf heeft opgehangen. Omstreeks die zelfde tijd is vlak daarbij een man vermoord, waarvan de botten hier zijn aangetroffen. Ik begrijp dat u vooral misdaden moet oplossen die nu worden gepleegd, maar mogelijk vindt u dit toch belangwekkend. Eerst was ik alleen in die aanbouw geïnteresseerd, nu wil ik dieper graven, dieper in het verleden. Brigadier, dat had u vast niet achter me gezocht!’

Brigadier Sjoerd de Jong opende die middag zijn mailbox en zag het mailtje van die man met oude botten in zijn achtertuin. Hij dacht even aan een grap. Den Ouden en de Jong! Die Dirk Jan zat toch niet de draak met hem te steken? Eerst was hij alleen maar boos over die serre die hij nog niet kon bouwen en nu ging hij zelf voor detective Speurneus spelen.

Voordat ik reageer zal ik eerst even met mijn baas overleggen. Hij maakte een memo, waarin hij de gegevens noteerde.

In het memo stonden de naam en het huisadres van Dirk Jan en de gegevens die bekend waren na het onderzoek van de botten. Ook deed hij melding van de zelfdoding die rond die tijd plaats zou hebben gevonden.

De reactie van de chef was dat het een leuke puzzel was, misschien iets voor een personeelsfeest met een speurtocht naar  ‘Het Slot en de twee lijken’.’  Sjoerd lachte mee als een boer die kiespijn heeft, nu merkte hij dat zijn chef hem een beetje in de maling nam.

Hij besefte dat de politie andere prioriteiten heeft en besloot een beleefd en weinigzeggend mailtje aan Dirk Jan te sturen.

‘Dank voor uw mail, we wensen u succes met uw verdere navorsingen. Voor wat betreft de uitbouw adviseer ik u nu eerst bij de gemeente een vergunning aan te vragen.’

Brigadier De Jong vertelde die avond thuis het verhaal aan zijn vrouw. Ze kende dat Slotpark wel, maar ze hoorde er van op dat er zich zulke vreemde gebeurtenissen hebben voorgedaan. Ze begreep dat haar man van haar baas er niet te veel tijd aan mocht besteden. Ze zei toen ‘weet je nog waar je mij ooit ten huwelijk vroeg.’

‘Ja, in het Slotpark, bij die kwetterende eenden.’

‘Weet je Sjoerd, het lijkt me leuk als we met elkaar dat Slot weer tot leven weten te brengen.’ Je hebt er al een steen toe bijgedragen. Laten we maar lekker op tijd naar bed gaan.’

Sjoerd voelde dat die woorden een belofte inhielden.

Hij sliep voor middernacht in. ’s Nachts droomde hij dat hij schout Den Ouden was en vier eeuwen geleden leefde. Dat was in een tijd zonder fietsen, auto’s, telefoons, radio, tv of krant. Opgewekt stond hij op. Hij kuste zijn vrouw Anna voor hij de deur uitging en zei tegen haar: ‘Het Slot blijft ons altijd boeien, het verhaal is nog lang niet af.’

‘Dat gevoel heb ik ook’  zei Anna.

 

© José van Rosmalen, 2013

zie ook:  http://www.bibliotheekaandenijssel.nl/index.php?id=2447&pi=1130&news_item_id=569