De schrijvershemel

 

 

Ja, ik zal het maar bekennen, ik zou graag een echte schrijver willen zijn. Bij een echte schrijver denk je eerder aan de boeken dan aan de man of de vrouw die ze schreef. Die boeken overleven de schrijver. Zeker bij de schrijver die ik zojuist postuum mocht interviewen. Ik kreeg een unieke kans om te spreken met de man die als legende werd geboren en als legende stierf. Als geen ander leeft hij voort in zijn werk en zo wilde hij het ook. We hebben het natuurlijk over HM.

Minzaam ontvangt hij mij op zijn hemelse wolk, waar hij eeuwig pijp kan roken. ‘Meneer Mulisch, hoe doe je dat nou, schrijver worden, kunt u mij een paar tips geven? Ik weet vaak niet eens waar te beginnen en hoe je een verhaal op moet bouwen.’ ‘Ach weet je, zeg maar Harry, ik doe nu niet meer zo gewichtig, ook al zit ik hier tussen Thomas Mann en Jean Paul Sartre; die Nobelprijs heb ik trouwens toch nog gekregen, maar dat terzijde. Je hebt natuurlijk soorten schrijvers, je hebt de schrijvers van mooie zinnen, de schrijvers van interessante boeken en de schrijvers van een oeuvre. Reve was zo’n zinnenschrijver, maar zijn boeken gingen natuurlijk nergens over; Hermans, moet ik toegeven, heeft een paar aardige boeken geschreven, maar er zit verder geen samenhang tussen.

Ja en dan kom je bij mij, de kosmische auteur van een oeuvre. Zover ik ergens mee te vergelijken ben, pas ik in de lijn van Homerus, Dante, Dostojevski en vooruit, Thomas Mann, omdat hij hier naast me zit en ook pijp rookt! De schrijver moet natuurlijk bescheiden blijven en hij moet vooral zijn absolute leeftijd kennen. Je weet dat ik altijd zeventien ben geweest, de leeftijd tussen kind en volwassene, met de nieuwsgierigheid van het kind en de kennis van de volwassene.’

Ik luister ademloos naar Harry, dat die man me zomaar een inkijkje in de ziel van de schrijver gunt. Ondertussen vraag ik me af wat voor schrijver ik dan zou willen zijn, een zinnenschrijver, boekenschrijver of oeuvreschrijver. Ik ben al blij met een stukje dat loopt, zonder kromme zinnen en zonder taalfouten. Ik grijp niet hoog genoeg, maakt de meester mij duidelijk. ‘Je moet meer pretenties hebben. Zal ik gewoon eens eerlijk zijn’, zegt Harry nu.

 ‘ Je moet de indruk wekken dat je een soort mythe bent, daarom zei ik bijvoorbeeld  'ik bèn de oorlog' of 'mijn absolute leeftijd is zeventien'. 'Allemaal flauwekul natuurlijk, maar het blijft wel bij de mensen hangen en ze gaan je interessant vinden. Het kost dan weinig  moeite om een mooie vrouw bij je in bed te krijgen of om je boeken goed te verkopen'.

‘Harry, je wou toch niet beweren dat je maar een komediant was, dat je ons allemaal voor de gek gehouden hebt en dat ik nu even op je wolk mag zitten om dat te horen?’ ‘ 'Ach weet je, denk eens aan Boudewijn Büch, die verzon zijn leven bij elkaar en toch was het uiteindelijk een aardige en lieve man. Hij zit hier een paar wolken lager, in de buurt van Jan Wolkers. Ook een leuke peer natuurlijk. Schrijvers willen interessant gevonden worden, daarom schrijven ze. En dat wil jij natuurlijk ook diep in je hart, nu je me hier zo komt opzoeken. Want toen ik nog leefde, zou ik je echt niet in mijn huis hebben ontvangen en nu kun je in je fantasie familiaar met me praten. Ik doorzie je wel hoor, zoals jij mij nu doorziet. Maar uiteindelijk gaat het om talent jongen, je moet het willen, je moet denken, ik ben een schrijver, ook al leest geen hond mijn boeken. Zo begon ik ook met mijn eerste strohalm, maar ik heb toch maar mooi de hemel ontdekt en ik kan je verzekeren, voor schrijvers is die zo slecht nog niet. De mensen blijven het over je hebben en als je niet meer leeft, wordt de mythe eigenlijk alleen maar groter. Denk maar aan Shakespeare, Multatuli en mijzelf natuurlijk.

Leuk jongen, dat je het ook gaat proberen, ik wens je natuurlijk veel succes,  volgens mij is je absolute leeftijd pas twaalf en ik vrees dus dat het bij dagdromen zal blijven.’ ’ Harry bedankt, je hoeft het interview zeker niet meer te lezen.?’’ Neen, ik ken het al want ik ben geen lezer maar schrijver, dè schrijver wel te verstaan’.

 

Wil ik na het interview nog doorgaan met schrijven, vraag ik mij af. Vanuit de hoge wolk val ik weer op de grond. Harry heeft me toch geholpen om op gang te komen!

 

© José van Rosmalen