Puberende scholier, 1961-1963

 

Ik was inmiddels veertien en begon mij in meisjes te interesseren. Ze waren wel van een andere orde dan jongens. Ze zaten apart, ze giechelden, ze deden raar. Maar ik zag dat sommigen borsten kregen. Jongens praatten daarover, vaak besmuikt. De eerste seksuele gevoelens waren er al eerder. In de zesde klas, op de Sint Jansschool, trok ik een keer op weg naar school een meisje aan haar haren. 'Engerd', riep ze, 'ga weg'. Ik kwam ook vaak bij mijn buurmeisje. Op haar veertiende verjaardag zaten we samen op haar bed. Er gebeurde niets maar ik fantaseerde des te meer. Ik was ook verliefd op een meisje uit Friesland, maar ik was lang niet de enige!

Eerder probeerde een jongen mij seksueel te benaderen. Hij was een oud-klasgenoot van de lagere school. Op mijn kamer deed hij zijn broek uit en liet zijn penis zien. Hij vroeg mij dat ook te doen. Ik had daar geen zin in maar raakte wel verward. Ik geloof dat ik even mijn broek uitdeed en meteen weer aan. Later probeerde hij het nog een keer maar toen weigerde ik resoluut. Ik vertelde dat pas later aan mijn moeder. Ik voelde me schuldig. Ze stelde me gerust, maar de jongen was niet meer welkom. Daarna  kwam ik hem nog wel eens tegen maar meed ik het contact. Of hij echt homoseksueel gericht was, weet ik verder niet.

Een keer liep ik in de stromende regen op de Neude in Utrecht  naar de bushalte; een auto stopte. De man zei, 'waar moet je naar toe.' Ik zei 'Hoograven.' 'Stap maar in, daar moet ik toevallig ook naar toe.' Toen kreeg ik argwaan en zei dat ik de bus nam. De waarschuwingen van mijn ouders om nooit met vreemden mee te gaan, deden toen zijn werk. Mijn vader zei wel, 'misschien bedoelde hij het goed, maar het risico moet je niet nemen.'

Ik kreeg mijn eerste zaadlozing toen ik dertien of veertien was. Later ging ik ook masturberen. Toen dacht ik wel dat dat slecht was. Ik weet nog dat ik het woord onanie opzocht in een moraaltheologisch boek. Het was niet dodelijk, maar wel verkeerd, zo begreep ik. Ik maakte mij zorgen, maar het contact met meisjes was toch nog ver weg.

In de tweede klas kreeg ik voor Nederlands meneer Drop. Meneer Drop was doctor, een van de meer geleerde leraren dus. Hij werkte mee aan de methode 'taalbegrip en taalbeheersing'. Hij leerde me het maken van opstellen en het houden van spreekbeurten leuk te vinden. Ik schreef een futuristisch opstel. Het had als titel, 'een schooldag in het jaar 2161'. Ik fantaseerde daarin dat ik thuis een paar pilletjes nam die boterhammen met hagelslag en pindakaas vervingen. Vervolgens ging ik met mijn privéraket naar de school waar een aantal robots lesgaven. De conciërge was de enige mens die daar nog werkte, maar de robots hadden wel allerlei menselijke eigenschappen. Op een gegeven moment haperde een robot en mislukte de les. Maar de leerlingen vonden dat juist leuk. Mijn opstel werd hoog gewaardeerd. Dat gebeurde ook met mijn spreekbeurt over de eerste expedities naar Australië en het Zuidzeegebied. Ik vertelde over Cook en de Discovery. Ik haalde mijn informatie uit Prisma boeken thuis.

Ik ging toen ook lezen. Meneer Drop ging heel actief met de schoolbibliotheek om. Uit de catalogus kon je boeken kiezen met het cijfer 1 of 2 ervoor. Ik las toen 'Lawines razen', boeken van Portielje over Artis en een boek van Julien over de Kilimandzjaro. Echt literaire boeken las ik  vanaf mijn vijftiende, zestiende jaar. Ik las wel vroeg het boek ‘Erik’ van Bomans en ook ‘Pieter Bas’. Ook las ik delen uit de Camera Obscura van Hildebrandt, de schrijversnaam van Nicolaas Beets.

In de tweede klas had ik les van Hans Bouwmeester. Hans Bouwmeester schaakte veel, ook in de klas. Hij was toen voor in de dertig. Hij gaf vaak slechte cijfers,  bijna nooit boven de zeven en vaak een vier of vijf. Hij legde iets uit, gaf een paar sommen en maande de klas tot rust. Tegen het eind van de les legde hij het nog even uit. Tussendoor zat hij met een schaakbord en een boek of blad voor zijn neus. Dat schooljaar won hij het Hoogovens schaaktoernooi of het Nederlands kampioenschap. De rector riep dat om door de intercom waarmee hij alle klassen tegelijk toe kon spreken. Een Nederlands kampioen op school! Af en toe kon Bouwmeester ook aardig vertellen. Over Jan Hein Donner en Irene van de Weetering, toen lid van de ‘provobeweging’.  Hij kwam daar wel eens en het was er een ontzettende troep. ‘De man was ook vaak vies; Donner was een echte bohemien’, vond Bouwmeester. Hij had meer respect voor Euwe; hij vertelde over de matches met Aljechin, in de jaren dertig; dat was de enige keer dat Nederland een wereldkampioen schaken had en nog wel een wiskundige. Dat gaf  volgens Bouwmeester het ‘nut’ van wiskunde aan. Wiskunde heeft geen direct nut, maar het helpt je wel bij het denken. Hij vertelde ook over Russische schakers, zoals Tal, Botwinnik en Spasski en het Amerikaanse wonderkind Bobby Fischer. ‘In Rusland wordt veel op straat geschaakt. Het is een sport van het volk. Dat was vroeger al zo en dat blijft zo, ook bij de communisten. Schaken houdt het altijd vol, wat het regime ook is.'

Bouwmeester schreef boeken die Het Spectrum uitgaf. Ik kreeg een paar van die delen. Zelf werd ik lid van de schoolschaakclub. Bouwmeester vertoonde zich daar nooit. Dat liet hij over aan de mindere schaakgoden zoals Volmüller en Evers. De natuurkundeleraar Evers was de meest trouwe organisator van de schaakclub. Er was een eeuwigdurende schaakladder, waarbij een heel systeem hoorde. Je kon iemand uitdagen die boven je stond. Het aantal plaatsen hoger op de lijst dat iemand mocht staan om hem uit te kunnen dagen hing af van de plaats waarop je zelf stond. Zo kon je als nummer 67, tot zeven plaatsen hoger uitdagen, als nummer 43 vijf plaatsen, als nummer 22 drie plaatsen en als nummer 7 maar één plaats. Je mocht een uitdaging nooit weigeren. De ladder bleef door de schooljaren heen bestaan. Zo duurde het voor mij tot in de vierde klas voor ik bij de eerste vijf belandde. En toen hield het op.

 

Rocholl gaf in de tweede klas natuurkunde. Rocholl was toen zevenenzeventig jaar, een oude man. Hij was slechthorend. We kregen les in het practicumlokaal, ik vermoed vanwege een gebrek aan lokalen. Hij praatte onduidelijk en mopperde soms. Bij proefwerken moesten er eerst schotjes tussen de leerlingen worden geplaatst, tegen het spieken. Dat hielp niet, want de spiekbriefjes werden onder de schotjes doorgeschoven. Hij gaf alleen maar onverwachte proefwerken. Aan het begin van de les zei hij dan 'schotjes' en dan wist de klas wat er ging gebeuren. Het woord schotjes en proefwerk combineerde ik nog jaren later met elkaar.

Tijdens de biologieles kwam rector Tosseram een keer tijdens de les met een paar Japanners de klas in. Die wilden kennelijk kennismaken met het Nederlandse onderwijs. Terwijl de Japanners er bij stonden, trok de anders zo serieuze rector een ‘spleetogengezicht’,  om hen in de ogen van de klas belachelijk te maken. Japanners waren toen nog ‘Jappen’,  zoals Duitsers nog vaak ‘moffen’ waren. Diverse leerkrachten hadden een traumatisch ‘Indië’- verleden. Die ‘Jappen’ komen nu onze kennis ‘jatten’.

 

Ik kwam in 3d, een klas met vijftien jongens en vijftien meisjes. Ik deed na ‘de onderbouw’ de HBS en niet het gymnasium. Bij het uitreiken van het paasrapport had de breekbare oude rector mij de HBS aangeraden. Het gymnasium advies was voorbehouden aan de goede leerlingen, hoewel niet alle goede leerlingen voor het gymnasium kozen.

Van de derde klas herinner ik me vooral de klassenavonden bij klasgenoten thuis. Dat was een of twee keer per maand. Met slingers, met spelletjes, met Conny Francis, Neil Sedaka, Paul Anka, Cliff Richard en Elvis. ‘Oh Diana’, ‘The Young ones’. Voor het eerst waren de jongenswereld en de meisjeswereld niet meer zo gescheiden.

Bij een aantal lessen zat ik naast een meisje. Eerst vond ik het maar niks om naast een meisje te zitten, maar ze deed aardig tegen me, op een gewone manier. Ze was niet nuffig zoals sommige meisjes uit de klas, die steeds samen zaten te giechelen. Dat ging mij erg irriteren. Ik dacht dan wel eens dat ze het over mij hadden.

In de pauzes liep ik meestal met een paar jongens op. Ik voelde me niet meer verstoten, zoals toen ik de eerste klas voor de eerste maal deed. Ik maakte wel mee dat een andere jongen er niet bij mocht horen. Hij was eenzelvig en kinderlijk. Hij werd in de pauzes gemeden. Ook ik zocht hem niet op, maar herinner me wel dat ik me verlegen voelde met zijn uitsluiting.

Thuis zat ik veel op mijn kamer. Ik speelde met een tafeltennisbatje hoe vaak ik een balletje omhoog kon slaan en op kon vangen op het batje zonder dat het balletje viel. Ik deed  dat ook met een badmintonracket en een shuttletje.

In de huiskamer dronk ik tussendoor  bekers melk en at ik ook vaak een marsreep. Ik was op maximum lichaamslengte gekomen en at veel. Ik ging in schoolschriften gedichten schrijven, over onbereikbare liefde en verlangen. Ik liet ze nog aan niemand lezen. Toch vond ik het wel belangrijk, maar het hoorde tot mijn binnenwereld. Ik maakte ook een keer met olieverf een zelfportret. Echt goed tekenen en schilderen kon ik niet. Mijn vader schilderde wel, maar vooral toen ik klein was. Hij schilderde mijn moeder, hij schilderde mij met het speelgoed dat ik toen had en hij schilderde fantasietaferelen. Hij had ook belangstelling voor muziek, vooral voor een piano. Hij miste die toen. Een tijd lang stond er bij ons een tweede hands piano.

 

Ik had in de derde klas slechte kerst- en paasrapporten, waarop ik zou blijven zitten. Twee

keer achter elkaar een drie voor boekhouden. De sommen over de tennisclub 'Over het net' vond ik maar saai. Dat gold ook voor de leraar die bijna vijfenzestig was. Ook bij Duits ging het slecht. In de klas zat ik bij de lessen met mijn buurman het spelletje ‘boter kaas en eieren te doen’. Als ik een beurt kreeg schrok ik op. Na Pasen besloot ik het lesboek over boekhouden eens door te nemen en wat sommen te maken. Ik kreeg toen toch nog een acht op mijn eindrapport. Van de dertig bleven er vijftien zitten. Ik herinner het me als een gezellige klas. Ik ging na de eindspurt over naar de vierde klas, naar de HBS-b.

In mei en juni van 1963 gingen we met klasgenoten regelmatig zwemmen in het Amsterdam Rijnkanaal, aan de Johan Wagenaarkade. Dan stond er een transistorradio aan en er werd gerookt. Sommigen vrijden. Het was een sport om naar de overkant van het kanaal te zwemmen, als een boot er aan kwam. Een keer zat ik tussen twee boten in die verschillende kanten  uitvoeren. Dat was gevaarlijk. Het water was vies, maar daar werd toen laconiek over gedaan.

Er was 'muziek voor jonge mensen.' 'Tijd voor teenagers.' 'Top of flop'. Radio Veronica, Muziek Express. Radio Luxemburg met Engelse diskjockeys. Tieners gingen grammofoonplaten kopen. Ik kocht wel eens het blad ‘Muziek Express’ met plaatjes van Elvis, Fats Domino, Helen Shapiro enzovoorts. Ik wilde thuis luisteren naar de Top 20, gepresenteerd door Joost de Draayer. Mijn vader ergerde zich aan dat lawaai, vooral tijdens het eten. ‘Zet uit die onzin’. Voor mij hoorde het juist bij de zaterdagmiddag.

Ik las  in de Volkskrant, dat er in Liverpool vier jongens waren die met heel nieuwe muziek kwamen. Ze heetten de  Beatles. Beatles had iets met kevers te maken en iets met beat, ritme. De jongens hadden het haar naar voren en het was lang. De muziek tijdens de schoolfeesten zou gaan veranderen!

 

©José van Rosmalen, 2013