Het einde van de boerderij

 

Enige jaren geleden ging ik met mijn vrouw naar Sint Michielsgestel. Ik wilde kijken of ‘de boerderij’ er nog stond, de boerderij waar ik als kind zo vaak logeerde. We stapten uit de bus, bij het begin van een nieuwbouwwijk, tegenover het vroegere doveninstituut. Daar moest het ergens zijn. We liepen langs nieuwbouwhuizen en kwamen op een weggetje met aan de linkerkant hoge maïsvelden. Ik herkende het landschap en kreeg het gevoel dat we te ver liepen. We kwamen een echtpaar op de fiets tegen en vroegen naar de boerderij van de familie Pols. De vrouw zei dat deze tussen de nieuwbouw lag, waar we vandaan kwamen. De boerderij van mijn jeugd was dus nog niet verdwenen.

Voor het eerst kwam ik op die boerderij toen ik zes was, als bleekneusje uit den Bosch, achter op de fiets van mijn vader, in de zomer van 1953. Hij vroeg de weg naar de Theereheide aan een dove man. ‘’Da Tehei Ling’ Daar Theereheide linksaf, een zandpad dat eerst naar links en toen naar rechts afsloeg. Daar was het huis, met de officiële ingang aan de voorzijde. Aan de achterkant lag de keuken met de deur waarlangs ‘het volk’ kwam. Alleen de pastoor en de dokter gebruikten de voordeur en werden in de chique kamer ontvangen. Om de boerderij heen lag het erf. ’s Nachts was het buiten het erf stikdonker. Er waren meer kinderen die eerste zomer, zo’n tien jongens en meisjes. We sliepen met de jongens op één kamer boven, met de overvolle pispot in het midden. De plee was beneden naast de keuken bij de koeienstal; de stank en de vele vliegen vond ik weerzinwekkend. Ik werd weldra ‘zwartje’ genoemd en een ander jongetje, iets jonger dan ik, ‘rooike’. Wij waren de enigen die na die eerste zomer terugkwamen op de boerderij. Toen ik er nog later als enig stadskind kwam vond ik het er niet zo leuk meer.

De boerin, die ik tante moest noemen, beheerde de boerderij. Op de markt kocht ze machines om te dorsen en te maaien, altijd met contant geld. Zij kon niet lezen en schrijven. Ze had de wind er onder, vooral bij haar vijf dochters. De zoons kregen ‘s zaterdags geld om naar de kermis te gaan, met hun grote rode auto. Elke zaterdag in de zomer was er wel ergens kermis. Als een dochter een vrijer had, kwam deze op een avond op zicht en de volgende dag vertelde tante wat ze van hem vond. Als hij te weinig bunders achter zich had, maakte hij zeker geen kans en ook niet als het een ‘min menneke’ was.  Het geld werd vooral verdiend met loondorsen.

’s Zomers stonden de jongens om vier uur op, vloekend en tierend. Tante zorgde dat ze hun bed uitkwamen. De oude boer, ‘opa’, toen voor in de zestig, had weinig te vertellen, als hij commentaar had, werd hem steevast de mond gesnoerd. ‘Ach, bemoeit gij oeweige d’r niet mee’. Opa pruimde tabak. Ik moest af en toe een pakje voor hem kopen. Opa zat het liefste bij de zwarte potkachel in de keuken. Hij spuugde de donkerbruine klodders achter de kachel op de grond. Tante en de dochters mopperden daar over, maar tolereerden het wel.

Het leukste vond ik het meerijden op een wagen getrokken door paarden. Zo gingen we naar de bossen in Boxtel. Daar waren kampeerders die rode limonade bij zich hadden. Ze spraken een beetje Nederlands maar het waren Duitse jongens. We renden heuveltje op en af. Duitsers waren moffen, zo had ik vaak gehoord, maar nu waren het ineens gewone grote jongens met wie ik speelde.

De meiden mochten niet zo maar naar een kermis, zeker niet als er een danshal met rock&roll was, dat vond tante vies.

Ik zat eens na het avondeten op het erf. Daar kwamen de twee jongste dochters. Ze vroegen of ik meeging. Onderweg zeiden ze dat ik niks mocht zeggen, ‘dan kreeg ik een ijsje’. In een tent dansten mensen, precies tegenover de kerk. We liepen terug en nogmaals was het ‘niks zeggen hoor’. Er was volk op het erf. Tante keek niet naar de dochters maar alleen maar doordringend naar mij, ‘waar zijn jullie geweest’, vroeg ze. ‘Bij de kermis’ zei ik. Ik kon niet liegen maar voelde me natuurlijk toch schuldig. De dochters werden weggestuurd en kregen de volgende dag slaag. Ze zeiden niks tegen mij. De wraak volgde in de herfstvakantie. Ik moest in de kelder pluisjes van de vloer rapen, ook de denkbeeldige pluisjes. Het was er koud en muf van de Keulse potten. Daarna wilde ik niet meer naar de boerderij. Ik was zo’n jaar of tien en woonde met mijn ouders inmiddels in Utrecht.

De boerderij lag nog geen honderd meter van waar we waren uitgestapt, achter een hek, omgeven door nieuwbouw op de vroegere akkers. Ik liep het erf op en stond stil bij het bankje voor de keuken. De deur stond op een kier, maar op mijn roepen reageerde niemand. Ik zag het vroegere kippenhok en de plek waar de varkens stonden. De boerderij was vervallen; ‘we waren nog net op tijd om hem te zien’, zei ik tegen mijn vrouw. Dat klopte ook, want ‘de boerderij’ bestaat niet meer, maar wel de herinneringen aan de boerderij van mijn jeugd, met tante, opa, de dochters met hun dienende taak, de zonen die lange dagen werkten maar ook in de watten werden gelegd, het doveninstituut, waar ik met een stok leerde slootje springen, de koeien die met de hand werden gemolken, de eieren die ik in een mand mocht doen, het oppompen van drinkwater en de strenge katholieke zeden; op zondag nuchter naar de kerk. Ik herinner me nog hoe ik daar als zevenjarige flauwviel en naar buiten werd gedragen en daarna in de buitenlucht bijkwam.

 We dronken nog wat in het restaurant ‘het Zwaantje’ dat vroeger ‘de drie zwanen’ heette en namen weer de bus naar den Bosch.

 

© José van Rosmalen

 

opgenomen in bundel 'over grenzen'