Simon Carmiggelt, Ping Pong

12720262

De eerste druk van de bundel ‘ Ping Pong’ kwam uit in 1954. De bundel bevat 32 zogenaamde Kronkels die eerder in het Parool verschenen plus als bonus het extra lange verhaal Ping Pong, tevens de titel van de bundel.
De bundel brengt je terug naar de wereld van de jaren vijftig. In het verhaal ‘ maatschappelijk verkeer’ hoor je een Amsterdamse man opscheppen over een luxe vakantie in een pension in Brabant met aardappelen en vette jus en ‘alles er op en er aan’, de toenmalige variant van de all inclusive reizen naar Turkije of Tunesië die we nu kennen.
Wat me opvalt is dat de verhalen doorgaans een pointe hebben, een humoristische kwinkslag door onhandige communicatie. In latere verhalen komt Carmiggelt meer als melancholicus naar voren, in ‘Ping Pong’ staat de humor voorop.
In het eerste verhaal ‘een jongeman uit Oslo’ is de ik-figuur bij een luxe party in Rome, waar de gastvrouw hem verwelkomt als de jongeman uit Oslo. Aanvankelijk corrigeert hij dit met ‘Amsterdam’ maar als hij opnieuw de jongeman uit Oslo genoemd wordt laat hij dit maar zo en speelt hij het spel mee, hetgeen tot grote spraakverwarring leidt. Ineens is het een land met een koning en niet met een koningin, zoveel weet hij nog net van Noorwegen.

In het lange slotverhaal ‘Ping Pong’ noemt Carmiggelt zichzelf een journalist, die elke dag in een hoekje van de krant een potje Ping Pong speelt met de Nederlandse taal en de Nederlandse mens. Vervolgens neemt hij diverse vormen van literair snobisme op de hak, zoals essays vol citaten en warrige poëzie vol pretenties. Hij eindigt met een aantal woorden uit Van Dale ‘s woordenboek die we niet kennen maar toch tot onze taal behoren: basterd, memelig, smoezelen, smuiger, driemetjes. Kortom onze taal is rijker dan je denkt, wil Carmiggelt hiermee zeggen en vooral, je kunt niet alles weten, houd het daarom simpel en leesbaar. Dat is hem dus gelukt.