Herman Gorter, Mei, een gedicht

 

image

Een van de langste gedichten uit de Nederlandse literatuur, mooi om hardop te lezen. Door de vorm komt de inhoud naar mijn gevoel op het tweede plan, maar Gorter wilde toch wel meer dan een spel met woorden. Je proeft de dramatische kracht van de geboorte tot aan de sterfte van Mei. Een allegorie van de jeugd en de liefde.

 

De eerste strofe: 

Een nieuwe lente en een nieuw geluid: 
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit, 
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
In een oud stadje, langs de watergracht -
In huis was 't donker, maar de stille straat 
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat 
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn 
Over de gevels in mijn raamkozijn. 
Dan blies een jongen als een orgelpijp, 
De klanken schudden in de lucht zoo rijp 
Als jonge kersen, wen een lentewind 
In 't boschje opgaat en zijn reis begint. 
Hij dwaald' over de bruggen, op den wal 
Van 't water, langzaam gaande, overal 
Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust 
Van eigen blijheid om de avondrust. 
En menig moe man, die zijn avondmaal 
Nam, luisterde, als naar een oud verhaal, 
Glimlachend, en een hand die 't venster sloot, 
Talmde een pooze wijl de jongen floot.
 
 
Toen stond hij op en Mei zag een blauw waas
Boven zijn hoofd, zijn aanschijn blonk, als dwaas
Stond hij, de armen uit, en scheen te drinken.
Zij wist dat hij voor haar niet was en zinken
Begon ze langzaam, sneller, en zijn stem
Bleef in haar ooren, dat was al van hem.