Rotterdam in de lift, 1992

 

Ik werkte in de jaren negentig als beleidsmedewerker bij de Vereniging van Gehandicapten-organisaties Rotterdam, de VGR. In die functie had ik regelmatig overleg met de RET, het gemeentelijk vervoerbedrijf. Daar bespraken we de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en wat daaraan zou kunnen verbeteren. Toen in de jaren zestig het eerste deel van de Rotterdamse metro werd gebouwd, werden in de metrostations geen liften aangelegd. Voor mensen in een rolstoel of mensen die slecht ter been waren, was de metro dus niet bruikbaar. In de jaren tachtig en negentig brak geleidelijk het inzicht door dat het openbaar vervoer beter toegankelijk moest worden. Het alsnog aanleggen van liften beschouwden we daarbij als een belangrijk doel. Ook binnen de RET had dit onderwerp aandacht, maar het dossier bleef een beetje hangen. Het leek technisch moeilijk en bovendien erg duur.

Naar het gevoel van veel mensen met een handicap moest het nu maar eens echt gaan gebeuren. Ik bedacht toen de actie ‘Rotterdam in de lift’, om te zorgen dat die liften er zouden komen. Ik beschikte over informatie dat er bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat budget was voor nieuwe investeringen en dat er daartoe goede plannen zouden moeten komen.

We moesten nu eerst tumult maken. Bijna nooit heb ik zo hard en fanatiek gewerkt als toen, wel zo’n vijftig, zestig uur per week. Ik ontwikkelde bij mezelf ook een zekere brutaliteit bij het benaderen van mensen en het stellen van vragen. Ik had het gevoel dat het zou kunnen lukken, ook al wist ik dat niet zeker. We maakten een bloemlezing van opmerkingen en signalen van mensen dat de liften er moesten komen. Er kwam een comité van aanbeveling met bekende Rotterdammers, zoals Lee Towers en de toen nog gewaardeerde bokser Regilio Tuur. We maakten shirts met de tekst ‘Rotterdam in de lift’. Met een groep van mensen met een handicap vulden we de hal van het Stadhuis, om de wethouder en het college verder te overtuigen, uiteraard ook met een onvermijdelijk lied. We zochten regelmatig de publiciteit en trokken ook de aandacht met achtergrondverhalen. In die tijd had je nog een levendig Rotterdams Dagblad, dat later helaas in een vage AD-formule grotendeels verloren is gegaan.

Bij de RET ging men nu ook in een hogere versnelling aan de plannen werken.  Het was immers ook hun belang en het werd nu een kwestie van prestige.

Ik belde zelf ook met beleidsambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; ik werd toen een keer tamelijk arrogant bejegend met als ondertoon ‘wat denk je wel als medewerker van zo’n Rotterdams clubje’. Maar ik liet me niet uit het veld slaan.

We gingen naar de vaste Kamercommissie van Verkeer en Waterstaat om een petitie aan te bieden, met zo’n dertig mensen met een handicap, allemaal getooid in het t shirt met Rotterdam in de lift. Een week later vergaderde de commissie. We deelden daar pamfletten uit. Minister Jorritsma merkte ons op, we werden wel tot enige kalmte gemaand. De diverse commissieleden haakten in op de wens nu liften aan te leggen. Geen enkele partij was hier tegen, er moest echter snel een concreet plan komen.

Op dat moment werd me duidelijk dat de actie geslaagd was. De liften gingen er komen, het geld was er, het was alleen nog een kwestie van uitwerking.

Ik kon toen mijn zegeningen tellen. Er kwamen liften, de VGR had zich sterk op de kaart gezet en ik had me ook zelf weten te profileren als iemand die het verschil kan maken.

Anderhalf jaar later opende de minister de lift op het stationsplein. Een niet al te zeer doordenkende pr medewerker had bedacht dat de minister bij die gelegenheid even met een ladder naar boven zou klimmen. Dat weigerde zij, zodat een wethouder dit klusje moest opknappen. In een zaaltje bij Engels gaf zij daarna de credits aan de VGR, door haar omgedoopt tot ‘Vasthoudende Gehandicapten Rotterdam’. Ik heb wel eens slechtere dagen gekend.

 

© José van Rosmalen, 2013