De boerin en de kippen

Het werd voorjaar. De zon begon hoger te staan en bleef langer schijnen. De mensen begonnen voorzichtig een dunnere jas aan te doen, vooral overdag.

De hemel was weer mooi blauw, de bloemen hadden zin om hun kop op te steken, de kleuren keerden langzaam terug in de natuur.

De koning van het land wilde een lentefeest houden. Samen met de koningin organiseerde hij een wedstrijd waar iedereen aan mee kon doen. Wie voor Pasen het mooist beschilderde ei naar het paleis bracht, zou met Pasen mee mogen varen in de Koninklijke boot.

Zo kwamen vele mensen met hun beschilderde eieren bij het paleis langs. Een lakei bekeek ze een voor een. De mooiste eieren zou de koning zelf bekijken en beoordelen.

Er kwamen honderden mensen langs, kinderen, mannen, vrouwen; sommige met een ei, sommige met een mandje vol. Er waren echte kunstwerken bij, alsof Picasso of Karel Appel aan de slag was geweest.

Aan het einde van de stoet kwam er een boerenvrouw met een wagentje. In de verte hoorde je al toktok. In het wagentje zaten drie kippen en een haan. Kukeleku zei de haan, om te laten zien dat hij er ook was. De lakei vroeg aan de boerin, ‘waar is uw ei?’

Ze zei, ‘ik heb nu geen ei, maar ik beloof de koning dat hij elke dag een vers warm ei krijgt, puur natuur, zonder verf of wat dan ook, lekker warm uit het mandje. Daar kan geen Picasso tegen op.’ De lakei begon te twijfelen, hield de boerin zich wel aan de regels van de wedstrijd? Maar haar verhaal raakte hem toch en hij zei dat ze even moest wachten. Hij belde de belangrijkste lakei van het paleis en vroeg hem of de koning ook geïnteresseerd was in kippen en een haan. De opperlakei lachte, hij zei ‘het is natuurlijk wel een mooi verhaal’ , wat gaat er immers boven puur natuur.’ ‘Maar’, zo voegde hij er aan toe, ‘dan krijgen al die mensen die met een beschilderd ei komen, wel het gevoel dat ze het verliezen van een paar gewone kippen en een haan. Kan de koning dan volgend jaar nog wel zo’n wedstrijd organiseren?’

De boerin stond ondertussen nog steeds te wachten met haar drie kippen en haar haan. De haan kraaide en de kippen zeiden toktok. Toen gebeurde er een wonder. De jongste kip begon in het mandje een ei te leggen. Op het ei in het mandje lag een wit dons van kleine veertjes. Ze schitterden in de zon. De koningin ging net een eindje uit wandelen en zag het ei glinsteren. ‘Wat prachtig’ zei ze, ‘mag die ook meedoen met de wedstrijd?’ De lakei en de opperlakei hoorden de stem van de koningin. Ze gaven zich gewonnen. De boerin won de prijs en mocht meevaren met de koning, de koningin en de prinsesjes, over zilverkleurige meren, langs prachtige kastelen en liefelijke landschappen. De boerin dacht dat ze droomde en voelde zich nu zelf een koningin. Zij vierde de lente en voelde zich kiplekker.

 

José van Rosmalen,  2016