Alfred Kossmann, Laatst ging ik spelevaren.

 

Laatst ging ik spelevaren

 

De schrijver Alfred Kossmann reed op 24 februari 1972 mee met een oudere vriend van Amsterdam naar Hilversum, om daar een radio-interview te hebben. Vlakbij Weesp ging het mis, de auto reed in een greppel. De bestuurder kwam met de schrik vrij, Kossmann raakte zeer ernstig gewond en de artsen vreesden voor zijn leven. Hij verbleef lange tijd op de afdeling intensieve zorg en vervolgens moest hij nog een half jaar verpleegd worden. Hij kon daarna nog alleen maar moeizaam met twee krukken lopen. Hij was toen vijftig jaar en had dus al een behoorlijk deel van zijn leven zonder handicap geleefd.

In het boekje 'laatst ging ik spelevaren' dat in 1973 uitkwam en in 1980 als Salamanderpocket werd herdrukt, beschrijft Kossmann wat er gebeurde en reflecteert hij daarop. Hij beschrijft de sensatie die ik wel herken, dat je terwijl je iets ernstigs overkomt, je ook tegelijkertijd de observator bent van wat er gebeurt. Nadat hij uit bewusteloze toestand in een weiland bijkomt ziet hij omstanders en probeert hij zich te groot te houden. De pijn voelt hij niet direct. Later in het ziekenhuis wel. Hij heeft een bekkenbreuk, beenbreuken, een armbreuk en overal ernstige wonden. Zijn vrouw komt hem opzoeken en probeert haar schrik te verbergen.

 

Na acht maanden mag hij voor het eerst weer naar huis, in Amsterdam. Hij komt de trap met veel moeite op en af. Hij bezoekt weer zijn stamkroeg in de Jordaan. De kroegbaas haalt hem op. Kossmann gaat weer lezen en schrijven. Hij noemt de memoires van de vrouw van Osip Mandelstam, die vermoord werd door de Stalin-terreur. Hij haalt ook herinneringen op aan zijn voorouders uit Duitsland, die deels joodse wortels hadden. Hij vraagt zich af waarom die werden verzwegen. Had dat met het antisemitische klimaat te maken? Ook denkt Kossmann terug aan zijn eigen jeugd, toen hij als zeventienjarige zwaarmoedige gedichten over de dood schreef. Nu hij een bijna-doodervaring heeft gehad, kiest hij onvoorwaardelijk voor het leven. De laatste bladzijden spelen in de Amsterdamse kroeg. De kastelein vertelt een anekdote. Ene 'ome Hein' die wel wat op zijn kerfstok had springt in het water om twee jongetjes uit de gracht te redden, terwijl anderen aan de kant blijven staan. 'Die grote smeerlap brengt de jongetjes aan wal. Nou, willen jij en ik nog over mensen oordelen?' Aldus de kastelein en de laatste zin van het boekje. 

 

Alfred Kossmann had een tweelingbroer, Ernst. Zij groeiden op in Rotterdam. De een was schrijver, de ander historicus.

Laatst ging ik spelevaren

 

De schrijver Alfred Kossmann reed op 24 februari 1972 mee met een oudere vriend van Amsterdam naar Hilversum, om daar een radio-interview te hebben. Vlakbij Weesp ging het mis, de auto reed in een greppel. De bestuurder kwam met de schrik vrij, Kossmann raakte zeer ernstig gewond en de artsen vreesden voor zijn leven. Hij verbleef lange tijd op de afdeling intensieve zorg en vervolgens moest hij nog een half jaar verpleegd worden. Hij kon daarna nog alleen maar moeizaam met twee krukken lopen. Hij was toen vijftig jaar en had dus al een behoorlijk deel van zijn leven zonder handicap geleefd.

In het boekje 'laatst ging ik spelevaren' dat in 1973 uitkwam en in 1980 als Salamanderpocket werd herdrukt, beschrijft Kossmann wat er gebeurde en reflecteert hij daarop. Hij beschrijft de sensatie die ik wel herken, dat je terwijl je iets ernstigs overkomt, je ook tegelijkertijd de observator bent van wat er gebeurt. Nadat hij uit bewusteloze toestand in een weiland bijkomt ziet hij omstanders en probeert hij zich te groot te houden. De pijn voelt hij niet direct. Later in het ziekenhuis wel. Hij heeft een bekkenbreuk, beenbreuken, een armbreuk en overal ernstige wonden. Zijn vrouw komt hem opzoeken en probeert haar schrik te verbergen.

 

Na acht maanden mag hij voor het eerst weer naar huis, in Amsterdam. Hij komt de trap met veel moeite op en af. Hij bezoekt weer zijn stamkroeg in de Jordaan. De kroegbaas haalt hem op. Kossmann gaat weer lezen en schrijven. Hij noemt de memoires van de vrouw van Osip Mandelstam, die vermoord werd door de Stalin-terreur. Hij haalt ook herinneringen op aan zijn voorouders uit Duitsland, die deels joodse wortels hadden. Hij vraagt zich af waarom die werden verzwegen. Had dat met het antisemitische klimaat te maken? Ook denkt Kossmann terug aan zijn eigen jeugd, toen hij als zeventienjarige zwaarmoedige gedichten over de dood schreef. Nu hij een bijna-doodervaring heeft gehad, kiest hij onvoorwaardelijk voor het leven. De laatste bladzijden spelen in de Amsterdamse kroeg. De kastelein vertelt een anekdote. Ene 'ome Hein' die wel wat op zijn kerfstok had springt in het water om twee jongetjes uit de gracht te redden, terwijl anderen aan de kant blijven staan. 'Die grote smeerlap brengt de jongetjes aan wal. Nou, willen jij en ik nog over mensen oordelen?' Aldus de kastelein en de laatste zin van het boekje. 

 

Alfred Kossmann had een tweelingbroer, Ernst. Zij groeiden op in Rotterdam. De een was schrijver, de ander historicus.