Terbeschikkingstelling

 

In 1974 solliciteerde ik bij een TBS- Inrichting.  De functie had te maken met interne Organisatie-ontwikkeling. Na een gesprek werd ik uitgenodigd om drie dagen nader kennis te maken met de inrichting. Ik zou zowel  de open als de gesloten afdelingen kunnen bezoeken. Bovendien mocht  ik met ieder personeelslid  contact leggen. Voor wat betreft de contacten met de ter beschikking gestelden, met enige hypocrisie ook wel ‘de bewoners’ genoemd moest ik me  aan de richtlijnen van het personeel houden.

In de eerste contacten met de ‘staf’ leek het er allemaal liberaal aan toe te gaan. Toen ik eenmaal op de afdelingen kwam, voelde ik een andere werkelijkheid. Ik werd begroet door een jongeman van voor in de twintig, met de woorden ‘je bent de derde die op zicht komt’. Hier golden niet de burgerlijke wetten van praten met omhaal van woorden. Een bewoner had een beetje eigen ruimte, een klein kamertje met wat spullen van zichzelf. De groepsleiders hadden het meeste directe contact met de bewoners. Zij moesten met hen omgaan, met hen de tijd zien door te komen. Wat ik zag was dat sommige groepsleiders nogal ver gingen in hun diensten aan bewoners. Ze kochten sigaretten voor ze en haalden grote pakken ijs.

Op een avond zond de TROS een documentaire  over inbreken uit. Te midden van een groep bewoners en een paar groepsleiders zat ik te kijken. Zij  gaven meteen insidercommentaar op de inbraakmethoden. Overdag ging een aantal mensen in de werkplaats werken. Ik sprak ook met de werkmeester. Hij maakte op mij een ontevreden indruk.

Sommige bewoners vergeet ik nooit.  Een totaal verdwaasde jongen van een jaar of twintig, die nauwelijks praatte en in een eigen wereld leefde. Een man van in de veertig, die zoals hij zelf zei, zich kapot had gedronken. Hij had zichzelf als het ware ‘ter beschikking gesteld’. Verder was er de jonge man die mij als eerste tegemoettrad. Hij vertelde dat hij vroeger vaak op een studentenvereniging in Utrecht kwam. Hij maakte siervoorwerpen, door spijkertjes in triplex platen te slaan en die met touwtjes met elkaar tot een afbeelding te verbinden. Ik kreeg van hem een ‘schip’ cadeau, dat ik nog jaren heb bewaard.

Ook was er een man die mij zijn delict begon te vertellen. Hij was pedofiel, hij hield van kinderen. Hij zei  me dat veel bewoners halve debielen waren en veel groepsleiders er een kleinburgerlijke moraal op nahielden. Hersteld zijn, was vooral een kwestie van je rol goed spelen, verbaal uiten dat je nu een verstandig en oppassend mens bent en dat je geleerd hebt van je fouten. Tot inzicht komen was vooral de suggestie weten te wekken dat je ‘klaar was voor de maatschappij’. De man die me dat vertelde was bedreven in het Go-spel en mocht daar, in aanwezigheid van een begeleider, op clubhuizen demonstraties in geven. Hij legde ook mij iets van het spel uit. Wat me opviel was dat hij in mij een medestander zocht om ‘de dwaasheid van het systeem’  uit te leggen.

Die dwaasheid kwam tot uiting toen een groepsleider zich tegenover mij in sadistische termen over de vrouwen die hij ‘begeleidde’ uitliet. Hij zei letterlijk,’ ik laat ze zich uitkleden om ze te vernederen en hun weerstand te breken’. Ik had de indruk dat zijn wellicht onbewuste seksuele opwinding bij die gedachte uit zijn ogen sprak. De liberale praatjes van de ‘hogere staffunctionarissen’ begon ik geleidelijk aan in een kritisch daglicht te bezien. Ze leken me meer geschikt om de buitenwereld, zoals justitie en inspectie mee tegemoet te treden, dan om de rauwe interne werkelijkheid recht te doen. Ik kwam bij een vrouw op haar kamer, die mij was aangekondigd als ‘een bekende gifmoordenares’. Voor het eerst in mijn leven stond ik bewust tegenover een vrouw die een paar moorden had gepleegd. Haar kamer hing vol met snuisterijen en ik had onmiddellijk het gevoel dat ze probeerde me in te palmen met haar voor mij overjarige charmes. In de kamer hing een geur van lotion. 

Inmiddels wist ik dat hier niet zou willen werken. Ik beschouwde mijn verblijf  toen  als een unieke gelegenheid om achter de schermen van een TBS-inrichting te kijken.  Er waren minder gestraften en TBS-toewijzingen dan voorheen.  Er was in feite een personeelsoverschot. De leiding overwoog om een nieuwe functie voor de inrichting te creëren, namelijk die van opvang van alcohol- en drugsverslaafden. De vraag was of het Ministerie van Justitie, de financier van de inrichting dat wel wilde. Op de achtergrond speelde ook de vraag naar de legitimatie van de TBS, die varieerde van ‘het uit de maatschappij houden’ van gevaarlijke individuen tot die van ‘heropvoeden en resocialiseren’. Uit de verhalen van de directie kreeg ik de indruk dat het eigen personele lijfsbehoud ook een duidelijke rol speelde.

Ik was aanwezig bij een teambespreking. Een maatschappelijk werker rapporteerde over een bezoek aan een ouderlijk huis van een bewoner. In geuren en kleuren beschreef hij de wantoestanden. Ik verbaasde me daarover. Ik had wel eens wat gelezen over hulpverlening en ethiek en wat ik me daaruit herinnerde, was dat je de ‘privacy’ diende te respecteren en niet de persoonlijke omgeving van iemand te grabbel moet gooien. Hier mocht dat bij wijze van teamvermaak wel. Had ik te hoogdravende opvattingen over hulpverlenersethiek, of was er in deze besloten gemeenschap sprake van een beroepshouding waarin de ‘bewoners’ tot object werden? Ik kreeg het gevoel dat het er achter de schermen in ieder geval niet zo humaan aan toe ging.

En dan zo’n vertoning van een stafmedewerker die me vertelde dat hij ‘af en toe’ bewust met de bewoners lunchte, ‘om de sfeer van gelijkwaardigheid te benadrukken’.

In een slotgesprek met de directie zei ik dat ik verschillende culturen, verschillende normpatronen tegenkwam en dat ik de indruk had, dat er soms ook dingen gebeurden die in strijd waren met het gewenste beeld naar buiten. Ik nam geen blad voor de mond. Later, veel later, heb ik me wel eens afgevraagd of de hypocrisie, het dubbel praten, nu alleen maar kwam door het geïsoleerde karakter van de inrichting, of dat wat daar gebeurde toch ook wel de onderbuik, de verdrongen keerzijde van de Nederlandse samenleving weerspiegelde.

Op de dag dat ik weer naar de bushalte liep, zag ik daar een jongen met zijn begeleider staan. Hij had een grote mond toen de TROS de documentaire over inbreken uitzond. Nu stond hij daar, stilletjes. Het was eigenlijk zo’n half debiele jongen, die al jaren in de inrichting zat, de buitenwereld ontwend. Ik was blij dat ik via een paar dorpen weer bij een station kwam waar ik een krant kocht en met een bekertje koffie in de trein ging zitten.

 

© José van Rosmalen

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.
Rating: 4 sterren
1 stem