North sea jazzfestival, 2013

 

Ook dit jaar bezocht ik weer het North Sea jazzfestival, ik vermoed nu al voor de vijftiende keer. Voor het eerst zo rond 1980 in Den Haag, de laatste jaren steeds in Rotterdam. Ik zag in de loop van de jaren vele ‘beroemdheden’ optreden.  Ray Charles die niet al te bescheiden werd aangekondigd als ‘the Genius himself’.  Fats Domino, die de piano van de ene naar de andere kant van het podium duwde. Dizzy Gillespie, in een kleurig Afrikaans hemd, die vooral jongere musici het werk liet doen. Aan het vele blazen had hij zijn befaamde bolle wangen te danken. Ook was ik bij het festival waar Ella Fitzgerald nog zou optreden, maar vanwege haar gezondheid ging dat toen niet door. Niet lang daarna overleed zij.

Ook traden in de jaren tachtig de vibrafonist Lionel Hampton en de drummer Art Blakey op en Count Basie met zijn Big Band. Verder herinner ik me Muddy Waters, de machozanger, die toen al in de zestig was.´ I’m de Hoochie Coochie man´. Veel publiek zat op de grond, ik deed dat toen ook, zo veel jaren jonger dan nu. In diezelfde ruimte trad ook Miles Davis op, voor een groot deel met zijn rug naar het publiek. Of dat nou uit minachting voor het publiek was of omdat hij dat nodig had voor zijn concentratie, zou ik niet weten. Veel indruk maakte op mij Miriam Makeba, met haar waardige Afrikaanse uitstraling. Inmiddels is de jazzhemel rijk gevuld!

Nu het festival in Rotterdam plaatsvindt is het voor mij allemaal wat makkelijker met openbaar vervoer te bereiken. Het wordt daardoor ook wat minder laat. Ik zou het nu ook niet meer opbrengen om pas vier uur ´s nachts thuis te komen, zoals ik twintig jaar geleden deed.

Dit jaar hebben we het hele festival meegemaakt. Je kunt lang niet alles zien en horen, maar we hebben wel  mooie optredens gezien en gehoord. Herbie Hancock en Joe Lovano traden op met het Metropole orkest dat de domme bezuinigingswoede gelukkig heeft overleefd. Het orkest is uniek als groot jazzorkest en wordt dan ook door grote Amerikaanse jazzmusici daarom gewaardeerd.

Ook Chick Corea die zijn ruim zeventig jaar nog lang niet zijn aan te zien, trad weer op met een hommage aan de geschiedenis van de jazz.  Verder zag ik voor het eerst Bonnie Raitt optreden; ik heb al haar al zo’n veertig jaar ‘gevolgd’  en vond het leuk haar nu ‘in het echt’ te zien. Ook zestigers maken nog stevige rockmuziek. Een van haar bandleden heeft nog met Jimi Hendrix gespeeld, dus dat moet al weer zo’n vijfenveertig jaar geleden zijn.

Ook Dionne Warwick trad op, qua stem inmiddels wel enigszins vergane glorie, maar met haar presentatie en haar beroemde hits van Burt Bacharach maakte ze het optreden toch charmant.

Gelukkig komen er ook steeds weer nieuwe talenten tot ontwikkeling. De pas 24 jarige zangeres Jennah Bell uit Californië  is daarvan een voorbeeld. Ze trad nu voor het eerst buiten de VS op, maar vast niet voor het laatst.

Al enige keren  hadden we Diana Krall aan het werk gezien. Ze zingt goed en ze speelt goed piano en is ook nog eens een aantrekkelijke blonde verschijning. Toch had ik het gevoel dat de vonk niet echt oversprong, het eindapplaus was tamelijk lauw, op het genante af. Je voelt kennelijk toch als publiek of een artiest zijn of haar kunstje doet of er zich ook op stort.

Het optreden dat me van alle jaren het meeste bijblijft is dat van Stevie Wonder in 2010. Op grote schermen had het tienduizendkoppige publiek net Nederland de WK-finale van Spanje zien verliezen en toen nam Stevie het stokje over. Al na één nummer had hij de zaal in zijn greep. Wat deed dat voetbal er toen nog toe!

Jazz is van en voor alle leeftijden, dat zie je aan de artiesten en het publiek. Er zijn tieners en tachtigers, het is de muziek van de verbeelding en van de vrijheid, niet van de strakke schema’s.  

Over schema’s gesproken, de concerten begonnen nu steeds precies op tijd, ook daaraan merk je dat de organisatie achter de schermen goed is.  Rotterdam mag trots zijn op dit wereldfestival! Volgend jaar weer wat mij betreft!

 

© José van Rosmalen, 2013