Op het criminele pad ( 1973)

 

 

 

In 1973 werkte ik mee aan een criminologisch onderzoek naar de gevolgen van gevangenisstraf. Mijn taak was het doen van interviews met delinquenten en met hun echtgenotes of moeders. Aan het werk zelf ging een driedaagse interviewtraining vooraf. Daar werd op de achtergronden van het onderzoek ingegaan. In het begin van de jaren zeventig waren er minder mensen in Nederland gedetineerd dan ooit daarvoor in de twintigste eeuw; ook later zou er weer meer en strenger gestraft worden. Er waren slechts enkele duizenden cellen bezet, grotendeels door mannen en dan vaak weer jongere mannen. Ik kreeg te maken met jongens vanaf zestien jaar. De opzet was dat je met een collega-student samenwerkte. Van elk koppel sprak de een met de gedetineerde en de ander met de partner of bij jonge mannen de moeder. Na een half jaar zouden we beiden opnieuw spreken; dan was de detentie inmiddels voorbij.

 

Ik bezocht diverse gevangenissen. Een aantal keren ging ik naar de Noordsingel in Rotterdam. Ik kende Rotterdam nog niet, maar had de looproute vanaf de achterzijde van het centraal station opgekregen. Ik liep dan naar rechts, een brede straat (Schiekade) over en even verder over een houten brug aan de Singel en dan naar links. Bij de gevangenis moest ik mij legitimeren en vervolgens ging  ik met een bewaker naar de eigenlijke gevangenis, na een sluis met twee afgesloten deuren te hebben gepasseerd.

Ik herinner me een jongen van zestien die in Rotterdam west woonde; hij maakte van binnen schepen schoon. Hij zat vast wegens diefstal en mishandeling. Ook sprak ik met een op het oog nette burger die vastzat wegens herhaaldelijk alcoholmisbruik in het verkeer.

 

In Rotterdam kwam ik in een flat met een kleine huiskamer; het was half elf 's morgens. Daar trof ik een moeder en een zoon van een jaar of negen. De jongen had nog niet ontbeten. De moeder zei tegen hem, ‘hier heb je een gulden, ga maar wat friet halen’. Het was bij mijn weten een gewone schooldag. Dat klimaat van liefdeloosheid stuitte mij tegen de borst.

Ook kwam ik in Rotterdam bij een vrouw die een soort hoerenmadam was; haar man zat ten onrechte, zo verzekerde ze mij. Ik probeerde buiten dat soort gesprekken te blijven en mij te concentreren op de vragen.

Dat viel vaak niet mee.

In Rotterdam Zuid kwam ik in een kamer vol herderinnetjes en andere troep. Waar mijn oog ook reikte, overal stond kitsch. Een plaat van de Havenzangers stond hard aan en die mocht niet uit, ‘dat was gezellig’. De man van de vrouw waarmee ik praatte zat wegens heling; ook daar heette het dat hij er was ingeluisd. Toen ik de man maanden later zag, vond ik hem niet sympathiek.

 

Behalve in Rotterdam kwam ik diverse keren in Hoorn, Groningen, Leeuwarden, Enschede, Tilburg en nog andere plaatsen. Het Oostereiland in Hoorn was een heel oude gevangenis, gebouwd op een klein  schiereilandje, dat goed kon worden afgeschermd. Daar sprak ik een verlopen vijfenveertig jarige Amsterdammer, die het grootste deel van zijn volwassen leven had gezeten, maar steeds weer voor enkele maanden. Echt grote delicten had hij niet op zijn geweten, maar meer het eenvoudige jatwerk. Misschien deed hij het wel om een dak boven zijn hoofd te hebben. Die man woonde in een steeg in het centrum van Amsterdam. Na een half jaar moest ik hem daar weer interviewen. Ik belde aan en er werd niet gereageerd. Ik probeerde het nog een keer. De man stak toen zijn hoofd uit het raam. ‘Ga weg’, zei hij, ‘ik wil niks meer met je te maken hebben’, ik heb nu een vriendinnetje’. Ik droop af.

 

In de gevangenis weigerde vrijwel niemand het gesprek, maar een half jaar later kwam dat verschillende keren voor. Ook maakte ik mee dat mensen niet op te sporen waren. Iemand woonde volgens de lijst in een afbraakpand in de Utrechtse stationswijk, maar was daar inmiddels vertrokken. Voor die man was ik door de onderzoeksleider gewaarschuwd, hij was potentieel gevaarlijk. Zo rouwig was ik daarom nou ook weer niet dat ik hem niet voor de tweede keer kon spreken.

In het Noordhollandse Blokker, boven Hoorn, bezocht ik een woning van mensen die in de tuinbouw werkten. Ik praatte met de moeder. Zij sprak mij vermanend toe over mijn kleding. Ik had een ribbroek aan. Ze vond dat niet netjes. Ik merkte dat zij zich schaamde over het feit dat haar zoon in de gevangenis zat. ‘Het is een goeie jongen’, zo zei ze.

In de Haagse Schilderswijk kwam ik bij mensen met een wanstaltig grote hond. Het leek wel een hert. Daar zaten mijn collega-student en ik tegelijkertijd in de kleine huiskamer de interviews af te nemen. Ondertussen stond de tv aan en liepen kinderen in en uit. Bij sommige onderdelen van de vragenlijst moesten de mensen zelf antwoorden aankruisen. Dat waren vooral de vragen over de waardering van de relatie tussen gedetineerde en partner of moeder. Aan de kruisen kon ik soms zien dat het niet goed zat. Dat was onder meer het geval in die drukke kamer in den Haag.

 Ik maakte een keer een vergeefse tocht naar Tilburg, maar kreeg daar een andere keer toch de jonge vrouw te spreken. Ook tussen haar en haar man zat het niet goed, zo merkte ik. Tijdens het gesprek ging ze naar de wc ‘omdat ze moest poepen’ en kwam terug aan tafel zonder haar handen te wassen en schonk koffie in. Ik beheerste mijn innerlijke reactie op deze van de mijne afwijkende hygiënische maatstaven.

Soms vond ik de mensen die ik sprak ook echt oprecht. Ik had dat met enkele jonge jongens, die in de criminaliteit verzeild waren, maar daar ook weer vanaf wilden. Ze hadden daartoe ook ongetwijfeld meer kansen dan de oude rotten in het criminele vak. Echt angst heb ik niet gevoeld bij dit werk; in het begin wel een zekere spanning.

Op een avond trof ik bij een verjaardagsfeest van een studievriend een radiomaker. Hij toonde toen belangstelling en heeft over het onderzoek een programma gemaakt. Ik heb de onderzoeksleider later verteld dat ik ‘de tipgever’ was geweest.©

© José van Rosmalen, 2012