De eeuwige Dom

 

‘Kijk,  daar zie je de Domtoren.’ Mijn moeder wenkte me. Ik keek met mijn hoofd door het huiskamerraam van onze nieuwe driekamerflat naar rechts en zag het bovenste deel van de hoge toren. Het was eind februari 1958. Ik was nog tien. We waren zojuist verhuisd van Den Bosch, de geboortestad van mijn vader, naar Utrecht, de stad waar mijn moeder opgroeide.

Zij kwam er weer op vertrouwd terrein. Ze was opgegroeid aan een gracht in het oude stadscentrum. De Dom en het Domplein vormen daarvan het middelpunt. Haar liefde voor de stad had invloed op mij.

Het zien van de Dom en het Domplein in Utrecht geven mij tot op vandaag het gevoel van thuiskomen. Het is een plek waar ik vele keren in mijn leven ben geweest en veel herinneringen aan bewaar.

In 1959 vierde koningin Juliana haar vijftigste verjaardag. Met drommen schoolkinderen werden we  naar het Domplein geloodst, waar we liedjes moesten zingen ter ere van de jarige vorstin. Dat heette een aubade. Ik herinner me dat ik het stomvervelend vond, het sjokken in rijen en het lange staan op het plein. Na afloop kreeg elk kind een reep chocola. Daarna hadden we de rest van de dag vrij om te koekhappen en in een juten zak vooruit te springen. De koningin was hierbij uiteraard niet lijfelijk aanwezig,  ze stond op het bordes van het paleis Soestdijk. Wel zag ik haar een keer in een open auto langs de Utrechtse singels rijden.

Als jongen heb ik de Domtoren verschillende keren beklommen. Voor enkele dubbeltjes kocht ik daarvoor een kaartje. De klim begon met enkele brede trappen naar boven waarna je in een hal kwam. Vandaar ging je verder naar boven en kwam je op een schijnbaar eindeloze wenteltrap die je naar het bovenste niveau op honderdentien meter hoogte leidde. Daar kun je rondom lopen en de stad en omgeving zien, bij helder weer wel tientallen kilometers ver. Zo zag ik ook de straat waar ik woonde, net een kilometer voorbij de stadssingels rond het oude centrum.

De Domtoren heeft een onderdoorgang. In mijn jeugdjaren mochten daar nog auto’s en ook stadsbussen doorheen rijden. Je mocht je niet in  die gang bevinden als er een stadsbus aankwam, want daarvoor was geen ruimte. De bussen moesten stapvoets door de tunnel rijden.

Eén keer beklom ik de Dom samen met een klasgenoot. We hadden in een winkel vlakbij onze school zes goedkope rollen wc-papier gekocht die we vanaf de Dom als slingers boven de stad lieten uitwaaieren. We volgden ze met onze blikken. Ruim vijftig later kwam ik die klasgenoot in Rotterdam weer tegen en  herinnerden we ons beiden de kwajongensstreek van zoveel jaren terug.

Op het Domplein staat schuin in de hoek het Academiegebouw, waar de Utrechtse universiteit haar representatieve activiteiten houdt,  zoals promotieplechtigheden en jubileumbijeenkomsten. Je hebt er de senaatszaal met geschilderde portretten van de hoogleraren door de eeuwen heen en de aula met glas-in-loodramen. Ik was daar onlangs nog, bij een reüniebijeenkomst van de studentenvereniging Veritas. Er werd een  boek over de honderdenvijfentwintigjarige geschiedenis van de vereniging en het vroegere studentenleven gepresenteerd.

In 1967 schreef ik me in het Academiegebouw in als eerstejaarsstudent in de sociologie. Later volgde ik er colleges en heb er ook zelf als student-assistent werkgroepen begeleid. Ik was in de senaatszaal bij lezingen van enkele beroemde filosofen zoals Karl Popper en Leszek Kolakowski. In juli 1970 kreeg ik er mijn kandidaatsbul.  Dat vierden we op een warme zomerdag op het terras van café ‘de Vriendschap’, waar ik als zeventienjarige mijn eerste pilsjes leerde drinken en in mijn toenmalige ogen diepzinnige gesprekken voerde over het ontstaan van de wereld en de bestemming van de mens. Helaas leerde ik in mijn wijsheid toen ook het roken en kwam ik daar pas na tientallen jaren weer vanaf.

Tussen de Domkerk en het Academiegebouw ligt achter een poort verscholen de kloostertuin, een oase van stilte in de oude stad. Er is een route binnendoor van de aula naar de Domkerk. Bij de jaarlijkse opening van het academisch jaar begeven de hoogleraren zich in hun toga als een stoet pinguïns van de aula naar de harde houten banken in de kerk. Enkele keren was ik daarbij.

Vroeger was het Domplein een rustige plek in de stad.  Nu is het er druk en bruisend, met allerlei terrassen en ook met veel toeristen. Het is een plek die tot de verbeelding spreekt. In Japan hebben ze zelfs een attractiepark, met de Domtoren en directe omgeving,  op bijna ware grootte nagebouwd,  105 meter hoog in plaats van 110 meter.

Leuk dat ze daar in Japan kunnen genieten van een namaakdom. Maar ik ben blij dat ik ben opgegroeid met de oorspronkelijke versie, een eeuwenoud standvastig baken in het hart van de stad waar ik opgroeide. De Dom staat al zes eeuwen op zijn plek. Steeds opnieuw moet worden  geïnvesteerd in het behoud van de Dom en het Domplein. Die strijd tegen het dreigende verval blijft nodig en blijft ook de moeite waard.

Voor mij is het de plek waarvan mijn moeder al zei: ‘Kijk daar heb je de Dom’.  Elke keer weer kijk ik omhoog als ik er kom. Die eeuwige Dom.

 

José van Rosmalen,  juni 2018

 

 

 

 

.