Beeldvorming over mensen met een handicap

 

Ik begin deze inleiding met een stukje uit het Rotterdams dag­blad van 16 april 1996, onder de kop 'Gehandicapten genieten van Opzoomerkermis.

'Prachtig wat een uitzicht'. De verstandelijk gehandicapte Dini van Hoog is zichtbaar onder de indruk als het reuzenrad zijn hoogste punt bereikt en ze een indrukwekkend uitzicht over de Nieuwe Maas heeft. 'Dat wil ik ieder jaar wel', roept ze enthousiast.

Dini is een van de ruim honderd gehandicapten die de kermis op de Mullerpier bezoekt. Op initiatief van opzoomeraar R. Frie­drich en wijkagent D. de Groot was het terrein gistermiddag gereserveerd voor gehandicapten uit de regio. In het kader van de Opzoomergedachte 'Doe iets voor een ander' zijn zo'n veer­tig vrijwilligers opgetrommeld om hen te begeleiden.

De wijkagent is in zijn element. Vanaf het zonovergoten plein kijkt hij naar de rolstoelen die hem links en rechts voorbij schieten. 'De kermis is een succes', stelt hij tevreden vast. 'De mensen vinden het prachtig'. Ik zit nu zes jaar in het kermisteam, maar nog nooit was er gelegenheid voor gehandicap­ten om de kermis te bezoeken. Dat kan toch niet in een stad als Rotterdam?' Voor de exploitanten heeft De Groot niets dan lof. 'Men denkt vaak dat het rauw volk is, maar ze hebben een gouden hart,', vertelt hij. Toen ik met dit initiatief op de proppen kwam, viel er geen onvertogen woord. Ze wilden direct meewerken.'

Het is voor mij een beroepstic om als ik in de krant iets zie over gehandicapten, dit te lezen. Dit stukje roept bij mij een mengeling aan gevoelens op, enige waardering maar vooral ook boos­heid en machte­loos­heid. De boosheid schuilt in het idee dat je met het organiseren van een maandagmiddag- kermis voor gehandicapten niet het accent legt op het gewoon meedoen van gehandicapten maar op een bijzondere aanpak. Het ligt voor mijn beleving in de zelfde sfeer als het met Kerstmis organi­se­ren van een maaltijd voor zwervers. De machteloosheid sch­uilt in het besef dat het moeilijk is om mensen die een dergelijke activiteit organiseren daarop aan te spreken. Zij zijn immers volstrekt overtuigd van hun inzet en idealisme.

Patronaatsdenken

In de negentiende eeuw kwam in Nederland bij de gegoede burgerij het zogeheten 'patronaat' op, het doen van goede werken voor mensen die het slecht hadden. Gehandicapten zijn een dankbaar object van dit patronaatsdenken geworden. Het gaat er van uit dat gehandicapten 'dankbaar' zijn als zij mogen genieten van een 'geheel belangeloos' optreden van Lee Towers, als zij 'geheel verzorgd' een dagje uit mogen, net als 'onze bejaar­den' die evenzeer een dankbaar object van het patronaatsdenken vormen. Wat er tegen dit patronaatsdenken is in te brengen is dat het niet uitgaat van de gehandicapte als zelfstandige burger, maar vaak wel van de behoefte van degenen die het organi­seren om openlijk goed te doen.

Het patronaat is er niet meer in de laat negentiende-eeuwse vorm, maar is ook nog niet geheel verdwenen. Het bestaat nog steeds in de populaire beeldvorming en bijvoorbeeld in sommige krantenberichten of in sommige tv-programma's. De geëmancipeerde, mondige, lastige gehandicapte burger is volstrekt nog geen vanzelfsprekendheid.

Handicap en maatschappelijk succes op eigen kracht lijken elkaar op deze manier uit te sluiten. Een voorbeeld hiervan is president Roosevelt die aan een rolstoel was gebon­den maar waarvan dit feit in de media altijd werd verzwegen. De handicap paste niet bij het beeld van een van de machtigste mensen ter wereld en werd dus letterlijk verzwegen.

Er is wel sprake van een zekere ontwikkeling. De kleinkinderen van Roosevelt vinden dat hun grootvader als standbeeld in een rolstoel vereeuwigd moet worden; de 'gelijkberechtigingbeweging' heeft in de Verenigde Staten en elders de positie van gehandicapten veranderd; van zorg voor naar emancipatie van.

Naoorlogse ontwikkeling

In het naoorlogse Nederland zijn er enkele fasen in de benade­ring van gehandicapten te onderscheiden:

de individuele benadering: een persoon heeft een probleem; dit dient te worden opgelost, bijvoorbeeld door een aanpassing in de woning.

De categoriale benadering: voorzieningen en instellingen gericht op de categorie gehandicapten.

Voorbeeld, het bouwen van een aantal aangepaste woningen per jaar.

De breed maatschappelijke benadering: een benadering van de maatschappij als geheel. Voorbeeld: zo veel mogelijk aanpas­baar bouwen voor iedereen.

De categoriale benadering sluit een individuele benadering niet uit, dat wil zeggen bij bijvoorbeeld MIVA-woningen moet je ook wel eens individuele aanpassingen realiseren.

Ook een breed maatschappelijke, integrale benadering sluit een categoriale aanpak niet uit. Dus aanpasbaar bouwen betekent niet dat je geen beleid gericht op de doelgroep gehandicapten hoeft te voeren.

Wat ik aangeef over wonen kun je ook toepassen op openbaar vervoer.

Mensen met een handicap ondervinden belem­meringen bij het deelnemen aan de samenleving. Er zijn allereerst letterlijke drem­pels. Gebouwen zijn vaak onvoldoende toeganke­lijk. Woningen zijn vaak moeilijk aan te passen. Werkgevers denken soms dat gehandicapten extra risico' met zich brengen. Het 's avonds of in een weekend krijgen van thuishulp is niet eenvoudig.

Gehandicapten leveren vaak strijd tegen maatschappelijke uitsluiting. Soms geeft die positie van zich buitenstaander voelen ook weer kracht

Het isolement kan opgedrongen zijn, maar het isolement kan ook weer tot een eigen cultuur leiden. Dit zie je bijvoorbeeld bij de doventaal.

Kern van de zaak is dat mensen met een handicap soms wel hulp of zorg nodig hebben, maar dat zij vooral toch ook aan de maatschappij deel moeten kunnen nemen als volwaardig burger. Het gaat dan niet alleen om direct meetbare en concrete zaken zoals de hoogte van drempels, maar ook om zaken die met hou­ding en mentaliteit hebben te maken. Het gaat niet alleen om de knik­kers, het gaat ook om het spel.

Ik denk dat dit geldt voor licha­me­lijk gehandicapten en mensen met een verstandelij­ke handi­cap. Ook verstandelijk gehandicap­ten hebben naast behoefte aan hulp of zorg, behoefte om aan de maatschappij deel te nemen. Of beter gezegd, hulp of zorg zijn ook op te vatten als instrumenten, middelen om aan de maat­schappij deel te nemen.

Talenten van mensen met een beperking worden in onze maatschappij onderbenut. Het eindniveau bij het speciaal onderwijs blijft bij bijvoorbeeld motorisch gehandicapten gemiddeld achter bij niet- gehandicapten.

Toegankelijkheid voor iedereen

Doel zou mogen en moeten zijn dat mensen met een lichamelijke en of verstandelijke handicap op basis van hun behoefte maat­schappelijk zo goed mogelijk kunnen functioneren, waarbij de maatschappelijke omgeving het hare er toe bijdraagt om dit mogelijk te maken.

Een toegankelijke stad is een stad waar de deuren breed en de drempels laag zijn. De toegankelijke stad is een stad die mensen niet zo maar buitensluit, een stad met bestuurders die systematisch toetsen of beleid bijdraagt tot deelname van mensen met een functiebeperking. Een stad met maatschappelijke organisaties die zich hiervoor verantwoorde­lijk voelen. Een stad met toegankelijke trams, aanpasbare woningen, zonder obstakels op de weg, kortom een stad om van te dromen, maar ook een stad om aan te werken. Om een gedicht van Remco Campert te citeren, iemand stelt de vraag en dan nog iemand en zo ontstaat een beweging. Hoe de maatschappij met mensen met een handicap omgaat is ook een beetje beïnvloed­baar, net als hoe je je met een handicap in de maatschappij moet redden doen.

Kortom, verbeter jezelf, begin bij de wereld!

 

© José van Rosmalen, 1996, 2013