Studiereis naar Zweden, 1969

In september 1969 organiseerde de Utrechtse sociologische studentenvereniging een studiereis naar Zweden. Daaraan nam ik deel.

Er gingen naast sociologiestudenten ook rechtenstudenten mee. In die tijd waren sociologen ‘links’ en studenten in de rechten, ‘rechts’. De culturele stereotypen deden over en weer hun werk.

Met de bus reisden we vanaf Utrecht door Noord-Duitsland. Een paar studenten pikten ‘als verzetsdaad’  in een dorp affiches van de rechtse NPD met karton en al. Daarop stond de tekst ‘Dreigeteilt niemals’. De DDR was al erg genoeg. Die borden werden in de bus als tafel tussen de banken gebruikt om te toepen en andere spelletjes te doen. We sliepen die nacht in Kopenhagen. Echt tijd om de stad te bekijken was er niet. De volgende dag reden we door Zweden langs het voor mij bekende Vättern meer, naar Stockholm. Ik had twee jaar eerder dat traject liftend afgelegd, toen het verkeer in Zweden nog links reed.

 

Het waren twee lange busdagen, met een soms landerige sfeer onderweg. Onze accommodatie was een KFUM-hotel vlakbij de bootterminal naar Finland. We bleven daar zes dagen.

 

Een van die dagen gingen we op en neer naar Uppsala. Daar kwamen we te laat aan in het universitaire instituut, waar we enkele inleidingen zouden krijgen; niet om tien uur zoals afgesproken, maar pas om half twaalf. Onze gastheren waren duidelijk geïrriteerd. Ik voelde me zelf niet  verantwoordelijk maar vond het wel lullig. Er was een groepsleiding maar die had op geen enkele manier aangegeven dat we om tien uur in Uppsala werden verwacht. Die nonchalance irriteerde mij weer.

 

We werden rondgeleid door het oude Uppsala. 's Middags kwamen we op het SIPRI, het befaamde internationale onderzoeksinstituut voor vredesvraagstukken. Frank Barnaby, een Amerikaan met een baard, sprak ons toe. Zweden was een paradijs voor Vietnam-deserteurs, zo vertelde hij. Daar werd je als Amerikaan niet opgepakt. 

's Avonds gingen we naar een feest in het gebouw van een studentenvereniging. Het viel me op dat er bij de toiletten kennelijk door meisjes geschreven obscene oproepen stonden. De meisjes in Zweden waren meer 'geëmancipeerd'  dan de Nederlandse. Tijdens dat feest werd een van de wetenschappelijk medewerkers die met ons reisde stomdronken en begon wartaal uit te slaan. Hij moest tegen zichzelf beschermd worden.

Pas rond twee uur ’s nachts vertrokken we weer naar Stockholm, voor een korte nachtrust. Onze chauffeur was gelukkig nuchter gebleven.

 

In Stockholm bezochten we met de ondergrondse de buitenwijk Skärholmen, een grote nieuwbouwwijk. We kregen daar een toelichting op de planologie van de stad. De van oorsprong Nederlandse planoloog die ons ontving

deed schamper over het nut van sociologen als het om stedenbouwkundige planning ging, die hebben ‘geen statements’, zei hij letterlijk. De meegebrachte fles Bokma werd echter ook door hem in dank aanvaard. Alcohol was duur in Zweden.

 

Een tuttig maatschappelijk werkachtig type onderhield ons elders enkele uren over het Zweedse verzorgingsstaatmodel, vol vertrouwen dat alles werkte, zoals in de beleidsschema’s stond.

 

Op een avond bezochten we een jongerencentrum. Daar ging een meisje bloedprikken en bloed mengen als een soort ritueel. Ik voelde er niks voor om daar aan mee te doen en weigerde resoluut.

 

Ook gingen we naar een voorstelling van het Bread en Butter Theatre. Ik maakte toen brutaalweg een praatje met de acteurs en vroeg of ze ook naar Nederland wilden komen. Enige tijd later stonden ze inderdaad in Amsterdam, maar dat zal wel niet het gevolg van mijn vraag zijn geweest.

 

We bezochten een indrukwekkende tentoonstelling van de schilderijen van  Max Ernst. Verder vonden we de oude stad, ‘Gamle Stan’, de moeite waard. Toch zou ik pas vele jaren later de stad Stockholm en de schoonheid ervan beter leren kennen; als jonge student had ik daar nog niet zo veel oog voor.  Ik had al wel het idee dat Zweden qua welvaart toen sterk voorlag op Nederland, maar daardoor ook al meer de negatieve keerzijden kende.

© José van Rosmalen, 2013