De ziel maakt het verschil

Op de lagere school  kreeg ik godsdienstles. Dat was nog in de jaren vijftig van de vorige eeuw.  De kapelaan vertelde het verhaal over de schepping. God schiep niet alleen de aarde maar ook alle levende wezens, de planten, de dieren en de mensen. Daarbinnen was de rangorde dat de mensen boven de dieren stonden en de dieren boven de planten. Een boom kan immers geen pijn voelen, ook niet als je hem omzaagt. Het belangrijkste onderscheid  tussen mens en dier was, zo werd me geleerd, dat de mens een ziel heeft, die na het leven voort bestaat. De ziel is onstoffelijk en materieel gesproken ongrijpbaar. Je zou dus kunnen zeggen dat ‘de ziel’ niet aantoonbaar bestaat.  We denken met ons brein, ons hart gaat harder kloppen bij inspanning, het angstzweet kan ons uitbreken. Dat zijn allemaal fysieke gewaarwordingen. Toch ervaar ik het leven als een wonder, als iets dat boven het fysieke uitgaat. Ik was ooit getuige van het overlijden van mijn vader en ik voelde dat het lichaam dan een grens over gaat, die van menselijk lijf tot lijk. Het leven wijkt letterlijk uit de mens. Het hart staat stil, het lichaam ademt niet meer.

Wat blijft is de herinnering aan een mens die is overleden.  Je kunt nooit helemaal in de huid van een ander kruipen, het is mensen niet gegeven om zelfs hun vader, moeder, kind of partner geheel te begrijpen. Toch voel je dat er iets is, dat onmiskenbaar bij een bepaalde persoon past, iets dat te maken heeft met zijn of haar unieke individualiteit. Mensen verschillen van elkaar, zelfs eeneiige tweelingen zijn niet dezelfde mensen.  Ook dieren verschillen van elkaar. Een boer kan zijn varkens en koeien onderscheiden, tenzij het gaat om een megastal. Zo ben ik er van overtuigd dat ook vliegen en brandnetels niet geheel identiek zijn. Je kunt denk ik wel zeggen dat bij ‘hogere ’levensvormen de individuele verschillen meer tot uiting komen. Die individuele verschillen maken het leven juist boeiend. In een land als noord Korea lijkt het of alle burgers voortdurend dwepen met hun ‘grote leider’,  door hun uiterlijk en gedrag worden zij schijnbaar  eenvormige mensen, die inwisselbaar zijn, zoals de kippen in een legbatterij. Het niet respecteren van het unieke karakter van levende wezens  is dan ook een aantasting van de ‘ziel’  van het leven. We moeten daarbij niet alleen wijzen naar autoritaire regimes ver weg, maar ook kijken naar onze eigen omgang met dieren en met de natuur. Als dieren alleen nog maar een ‘productiemiddel’ zijn, verdwijnt het respect voor het unieke dier. Als kind zag  –en rook- ik bij boeren biggetjes en grote knorrende varkens. Die dieren kregen  een naam en daarmee een identiteit. Door de grootschalige veeteelt is die herkenbaarheid verdwenen, de dieren hebben geen eigen naam meer. Het leven verliest zijn ziel als de unieke identiteit van een levend wezen niet wordt gerespecteerd. Een waardig leven voor plant, mens en dier is nooit vanzelfsprekend gewaarborgd, maar steeds weer een opgave, of je nu wel of niet in het eeuwig voortbestaan van de ziel gelooft.

 

 José van Rosmalen, 2013