Voorwerpen en verhalen over de oorlog

 

Vorige week bezocht ik de Rotterdamse Kunsthal. Dat was voor mij een aangename verrassing.  De wereldberoemde architect Rem Koolhaas heeft indertijd weliswaar een prachtig gebouw ontworpen,  maar voor ouderen en mensen met een handicap was het beslist niet goed bruikbaar. De entree en de kassa zaten halverwege een steile hellingbaan. Ook binnen moest je over schuine stukken lopen. Het heeft ongetwijfeld wat gekost, maar dat leed is nu voorbij. De ingang en de kassa liggen nu op begane grondniveau en alles is goed bereikbaar, ook als je minder goed ter been bent.

Naar mijn mening horen architecten, hoe beroemd ze ook zijn,  al bij het ontwerpen van een gebouw rekening te houden met de bruikbaarheid van gebouwen. Dat geldt natuurlijk ook voor de opdrachtgevers van architecten, zij moeten er op letten dat het gebouw voor iedereen geschikt is.

 Je hoeft geen rekenmeester te zijn om te begrijpen dat achteraf aanpassen duurder is dan meteen  zorgen voor een voor iedereen toegankelijk gebouw. Maar vooruit, nu hebben we dan toch eindelijk een Kunsthal, die een parel is in het Rotterdamse museumkwartier.

De tweede aangename verrassing was voor mij als zuinige Hollander dat de Kunsthal tegenwoordig ook met de Museumpas gratis toegankelijk is.  Vroeger moest je bij de Kunsthal altijd apart betalen, dat is voor houders van de museumjaarkaart nu dus voorbij.

In de Kunsthal zijn altijd meerdere tentoonstellingen tegelijkertijd te zien. Deze keer kwam ik vooral voor de tentoonstelling over de Tweede Wereldoorlog, met honderd voorwerpen die elk een verhaal vertellen over die oorlog.

Onder de bezoekers zag ik relatief veel ouderen;  mensen van vijfenzeventig en ouder hebben nog eigen herinneringen aan die tijd, de iets jongeren herinneren zich de verhalen van hun ouders. In de jaren vijftig en zestig werd er ook bij mij thuis vaak over ‘de oorlog’ gesproken, vooral als er bezoek was. Duitsers werden toen steevast als ‘moffen’  aangeduid.

Naast ouderen waren er ook veel schoolkinderen, voor wie de Tweede Wereldoorlog echt geschiedenis is.  Hun ouders en vaak zelfs hun grootouders hebben geen eigen herinneringen meer aan die tijd. Het is daarom goed dat het verleden levend wordt gehouden.  Daarbij zijn er allereerst de ‘grote’ verhalen over de verschrikkingen van de oorlog, de bombardementen, de deportaties, de Jodenvervolging, de kampen waarvan er maar weinigen levend terugkwamen. Die weinigen kregen na de oorlog dan ook nog  vaak een kil welkom in Nederland.  Het kwam regelmatig voor dat hun spullen waren ‘verdwenen’.

Naast de grote wreedheden waren er ook de ‘kleine wreedheden’.  Duivenhouders werden in de oorlog verplicht hun postduiven te doden en zij moesten de duivenpootjes inleveren. De Duitsers waren bang dat de duiven zouden worden gebruikt voor spionagedoeleinden.  Zo grepen de angst en terreur in het alledaagse leven van mensen in.

In noodsituaties worden mensen ook vindingrijk.  Omdat de Duitsers het bezit van een  radiotoestel verboden, verstopten veel mensen hun radio. Er is in de tentoonstelling een voorbeeld te zien van een in een gebedenboek verstopte radio-ontvanger.

Er ligt in de tentoonstelling ook een metalen blik met knikkers, waarmee Anne Frank nog buiten speelde met haar vriendinnetjes. Vlak voor ze ging onderduiken, gaf ze deze aan een buurmeisje, die er pas onlangs mee voor de dag kwam.

Aan de tentoonstelling is meegewerkt door 25 oorlogs- en verzetsmusea in Nederland. Bij die musea is natuurlijk nog veel meer te zien. De tentoonstelling in de Kunsthal is het bezoeken zeker waard. Dat kan nog tot met 5 mei.

 

© José van Rosmalen, 2014

 

.