Harry Mulisch, Het beeld en de klok

 

image

 

Haarlem is de geboorteplaats van Harry Mulisch. Toen hij een succesvolle schrijver werd, woonde hij in Amsterdam en kwam hij nog sporadisch in zijn oude stad. Toch wandelde hij er wel eens rond. In deze novelle begint het verhaal met het beeld van Laurens Janszoon Coster, de vermeende uitvinder van de boekdrukkunst die in Haarlem bij de Sint Bavokerk al ruim anderhalve eeuw op zijn sokkel staat. Als Mulisch nadert, komt hij van zijn sokkel om enige ontboezemingen van Mulisch te horen. Mulisch komt in dit verhaal niet alleen in zijn thuisstad maar ook aan de andere kant van de wereld, in Brisbane in Australië en in San Francisco waar zijn oude moeder woont die hem op achttienjarige leeftijd baarde.
In het boek speelt de schaduw een belangrijke rol, die bestaat dankzij de zon. Op het zuidelijk halfrond draait de zon van rechts naar links, dus tegengesteld aan de draairichting op het noordelijk halfrond. Het horloge waar de tijd van links naar rechts loopt is dus op het noordelijk halfrond uitgevonden. Mulisch filosofeert over tijd en plaats en over meetkundige vormen. Bij hem weet je nooit helemaal waar de ernst ophoudt en de ironie begint. Niet voor niets introduceert hij in dit boek een nieuw ironieteken. Als je alles bij hem letterlijk zou nemen wordt hij wel een erg onuitstaanbare ijdeltuit, die zich in dit boek ‘ de meester’ noemt. Zijn oude moeder moet niet zo veel hebben van al zijn theorieën, ze is natuurlijk ook de enige die hem als kleine jongen heeft gekend die graag van alles wilde uitvinden. Zij ziet niets in de systemen die hij overal in ziet en ik geloof dat hij die relativering wel een verademing vond. Het standbeeld keert terug op zijn sokkel, de schrijver verdwijnt in het stadsgewoel. De boekdrukkunst is natuurlijk door Gutenberg uitgevonden, anders dan de Haarlemse mythe. Mulisch speelde graag met mythes, maar als lezer neem ik ze niet altijd serieus. Als je dat doet houd je een leesbaar boek over, een bouwsteen bovendien in het Mulisch-universum.