De snelle bibliotheek

 

 

 

De portier was een invalide.[i] Daar kan ik eigenlijk niet meer mee begin­nen, omdat ik van plagi­aat kan worden beschuldigd. Maar hoe anders in de stemming te komen om die grijze decemberdag, nu zo'n ruim zevenentwintig jaar geleden, weer op te roepen. Het was niet zomaar een dagje Amsterdam, want ik had een taak; ik moest iets groots verrichten. Het waren revolutionai­re tijden, 1968, de verbeelding aan de macht, maar wel met premier Piet de Jong.

Ik woonde in Utrecht, twee hoog in een dertiger jaren buurt. De lucht van bloemkool, te lang gekookte aardap­pelen, het spionnetje naast het raam, de wc waar het licht nooit brandde, de melkboer waar ze vroegen, ‘die meneer naast u, is die nou getrouwd?’. ‘Ik zou het niet weten,’ antwoordde ik dom. De andere kant, de feesten op de studenten­verenigingen, de pro­gressieve muziek in grachten­kelders, de opkomende leef­gemeen­schappen van studenten. De betogingen in universitaire gebou­wen, het geheimzinnige brief­je, kom daar, op dat adres, om twee uur donderdag, verbrand het briefje. Ik ging niet, maar draaide nog eens Dylan's Blonde on blonde op de pick up die ik voor enkele tientjes had gekocht. Lezen en studeren, 's mid­dags en vaak 's avonds. De ochtenden bestonden niet.

Op vrijdag de dertiende ging ik naar Amsterdam. Vanaf het station liep ik langs het Rokin. Met mijn speciale op­dracht. Ik dacht aan dat gedicht van Jan Campert, ‘Verlaat het Centraal en zie de stad die zich voor uw oog ontvouwt’. Het begint al bij het orgel als je de brug oversteekt. Want Am­sterdam komt op je af, terwijl je een stad als Rotter­dam moet verove­ren. Op de Dam hield een oude morsige man met een klein grijs sikje mij staande en zei: ‘Meneer, mag ik misschien een dubbeltje voor de erepoort?’ Na de orgelman was hij de tweede aan wie ik een dubbeltje gaf. Per slot heb je er wat voor over om in de stemming te komen. Mijn doel was een statig pand aan de Prinsengracht. Ik had een afspraak met professor Woudstra, directeur van de Wetenschappe­lijke Bibliotheek. Ik liep via de Kloveniersburgwal, waar ik enkele jaren eerder mijn eerste Amsterdamse avonturen had beleefd, als bijna zeventien­jarige in een jeugdherberg. Dekens netjes opvouwen, lakens goed strak trekken, 's morgens om zeven uur opgewekte muziek. 's Avonds ontspanning en educatie onder volwassen begeleiding. Dat was in de paasvakantie van 1964.

 

Nu, vier jaar later had ik zelf een volwassen taak op mij genomen. De Wetenschappelijke Bibliotheek in Utrecht moest anders gaan func­tioneren. ‘Kritiese’ werken dienden onmiddellijk be­schikbaar te zijn. Geen traag aanschafbeleid, niet een speciale boekbinderafdeling en tenslotte een kast met 'nieuwe aanwin­sten' waar je alleen naar mocht kijken. Daar was nu geen tijd meer voor!

 

Met die missie kwam ik die middag bij Woudstra. Ik ging het pand met stenen trappen met smeedijzeren leuning binnen, waarna ik mij meldde bij de portier, die in een rolstoel zat. Ik bedacht dat hij op een andere manier binnen moest zijn binnengekomen. ‘Ik kom voor professor Woudstra, om twee uur heb ik een afspraak met hem’. ‘U moet doorlopen naar zijn secretaresse, me­vrouw de Vos, tweede deur rechts.’ ‘Gaat u zitten, wilt u hier even wachten, daar kunt u uw jas kwijt, gebruikt u straks koffie of thee’. Woudstra, in grijs pak, gezet, fors, rond de vijftig, vat mijn betoog al snel samen: ‘Zo, u wilt een snelle bibliotheek. Een goed idee! ‘Ja, in verband met de snelle behoefte aan informatie en de golf aan kritische literatuur.’ ‘Ja, haha,  inderdaad, dat is ook onze wens!. Zo' n bibliotheek is natuur­lijk groot en log. Wij moeten tiendui­zenden banden direct beschikbaar hebben en daarnaast nog een veelvoud in ons maga­zijn. Het is een bedrijf meneer, waar mensen informatie moeten kunnen krijgen over tal van onderwer­pen. Uw gedachten zijn sympathiek’.

Ik voelde aan dat Woudstra het gesprek wilde afron­den. Mijn opdracht om een snelle bibli­otheek op gang te krijgen, bleef voor hem een mooie droom. Rond de kerstdagen schreef ik mijn rapportje, dat ik begin januari op het actiecentrum van de Utrechtse studentenvereniging zou komen toe­lichten.

Het 'Krities Dokumentaatsiesentrum’ is er een jaar later toch geko­men, maar ik weet eigenlijk niet of mijn rapportje daarbij veel heeft geholpen. Uiteindelijk wist de Openbare Bibliotheek mij meer te boeien. Merkwaardig is dat ik die oude man met het sikje daar nog eens tegen kwam, ‘Ssst’ siste hij mij toe, ‘U moet hier niet met kranten ritselen’. Voor hem was deze oude leeszaal met de groene lampjes die als paddenstoelen uit de tafels leken te groeien de erepoort. Nu ging mijn dubbeltje in de koffieautomaat.

 



[i] Beginzin ´Nooit meer slapen´, W.F. Hermans

 

© José van Rosmalen

 

opgenomen in bundel 'over grenzen'