Engeland, 1965

 Hier sta ik in het Brits museum

 

Op mijn achttiende reisde ik voor het eerst zonder mijn ouders naar het buitenland, samen met een klasgenoot. Dat was in de zomer van 1965. We gingen naar Londen en Zuid-Engeland.  Ik had er al maanden vol spanning naar uitgekeken en deed extra mijn best bij de Engelse les. Ik kocht een blauwe rugzak met bamboe steunspijlen. Verder kocht ik Engels geld en leerde ik dat er toen 20 shillings in een pond gingen en twaalf pennies in een shilling.

We gingen heen met het vliegtuig, voor mij was dat de eerste keer. Toen we in het vliegtuig zaten, zei ik tot hilariteit van mijn reisgenoot, ‘we zitten al een aardig eind in de lucht’. Het vliegtuig was nog aan het taxiën.

Na het landen gingen we met de trein naar Victoria Station. We werden daar opgehaald door Jenny, een Indisch meisje en een vriendin van haar. Jenny had bij het bedrijf van mijn vader gewerkt. Ze was nu verpleegster in Londen. De twee dames van begin twintig maakten ons die eerste avond een beetje wegwijs.

We hadden geboekt in een jeugdherberg, niet ver van Victoria Station. Het was een dependance in een schoolgebouw. Daar kwamen we in de hal met een paar tafels waar werd ingecheckt. Ik had geen bevestiging van de boeking ontvangen en ze zeiden 'jullie hebben niet geboekt'. Ik begon in mijn school-Engels, 'we really booked, we want to stay  here anyway, we've no other room now'. Etcetera; we konden na wat gemor blijven en kregen slaapplaatsen. Het zou voor één nacht zijn, daarna gingen we naar de  echte jeugdherberg, Holland House. Jenny complimenteerde me met mijn alerte reactie.

We liepen met Jenny en haar vriendin richting Thames, langs de Westminster Abbey.

's Morgens in Utrecht, 's avonds bij de Big Ben, in een wereldstad; ik vond dat heel spannend. We gingen naar een pub. Daar dronk ik op aanraden van Jenny een zoetig drankje, genaamd babycham. Later, toen ik dat elders nog eens bestelde, reageerde de pubbaas denigrerend. Ik vroeg waarom. Hij zei, 'you can have it, but it's a lady's drink.' In de jeugdherberg bleek nog een schoolgenoot te logeren; hij reisde alleen. Hij ging nog liften naar Liverpool, waar de Beatles vandaan kwamen. Overal hoorde je toen het nummer ‘Help’, de langspeelplaat was net uitgekomen. Mijn reisgenoot en ik wisten tevoren niet dat je hier goed kon liften; we hadden het reisschema strak gepland en alle accommodaties van tevoren geboekt.

We liepen op een avond door de Londense wijk Soho, waar je dure Rolls Royces zag rijden die discreet hun passagiers bij nachtclubs uitlieten. Je zag er jongens met heel lang haar, zoals je die toen in Nederland nog niet zag. We gingen naar de Tate Gallery, waar de beelden van Henry Moore veel indruk op mij maakten. Ook gingen we naar het British Museum. Verder gingen we naar Hyde Park en liepen we de halve stad door.

Met de boot voeren we naar Hampton Court, vanwaar we naar Windsor liepen. Daar liepen we 's  avonds rond een uur of acht langs het kasteel. Het was een bladstille avond, een verademing na het Londense stadslawaai.

We sliepen één nacht in Windsor en trokken toen weer verder; ik kan me niet alle plaatsen herinneren waar we verbleven, maar wel enkele. Vanwege de ligging en de naam herinner ik me Tanners Hatch; we kwamen daar via de zogenaamde 'alternate route' die in de jeugdherberggids beschreven stond, een kronkelig pad. Tanners Hatch lag in een natuurgebied in Kent. 's Avonds gingen we met een paar andere gasten in de jeugdherberg, Engelsen en Nederlanders naar het dorp in de buurt, naar een pub. Terug liepen we heuvelafwaarts. Een Nederlands meisje zong toen liedjes van Jaap Fischer, over monniken en de KVP en over het ei. Hij was toen vooral bij gymnasiummeisjes erg populair.

We liftten heen en terug naar Brighton; daar liepen we over de oude pier. Ook ging we op en neer naar Maidstone. Na onze tocht door Kent eindigden we weer in Londen. Ik geloof dat we toen de Zoo nog hebben gezien en de klok bij Greenwich, waar de nulmeridiaan ligt.

We reisden weer terug met het vliegtuig, twee weken na vertrek. Toen ik weer in Nederland was, dacht ik wel van mezelf dat ik nu een beetje een wereldreiziger was. Ik dacht ook dat mijn Engels een stuk beter zou zijn, door het regelmatig Engels praten. Het was in ieder geval meer vertrouwd. Ik vond de Engelsen zo aardig, zo beleefd, zo geïnteresseerd, meer dan Nederlanders. Dat beeld heb ik met enige nuances nog steeds, nu achtenveertig jaar later.

 

© José van Rosmalen, 2013