Josevanrosmalen.nl
Home » Verhalen » Spoornacht

Spoornacht

 

 

Ruth en ik vertrokken die zomerdag met de trein uit Stockholm naar het hoge noorden, met het Noorse Narvik als eindbestemming. De reis duurde volgens de dienstregeling bijna een etmaal. We zagen eindeloze naaldbossen en af en toe stopten we in een plaats: Uppsala, Gävle, Sundsvall, Umeå. Elke keer hoorden we dan de conducteur in zangerig Zweeds de plaatsnamen omroepen. Daarna reisden we via Boden, Gällivare en Kiruna naar Abisko, de noordelijkste plaats van Zweden. Om een uur of acht ’s avonds stond de trein echter ineens met een noodstop stil. We hoorden een harde dreun. Mijn leesboek viel van het tafeltje, in het rek boven ons verschoven onze rugzakken.

Wat was er aan de hand?  Medepassagiers reageerden onrustig. We hoorden het woord ‘terroristen’ en ‘sabotage’. Het schrijverspaar Sjöwall en Wahlöö was in die tijd erg populair en hun laatste boek ‘de terroristen’ was net uit. De moord op minister-president Olaf Palme vond pas tien jaar later plaats, maar de Zweedse welvaartsstaat kende al wel de eerste crisisverschijnselen. Het sprookje van het sociale paradijs was over. Je wist dus maar nooit. Bovendien lagen de Molukse treinkapingen in Nederland voor ons nog vers in het geheugen.

Mijn vriendin en ik keken elkaar aan, zou er echt wat aan de hand zijn?  Na een tijdje werd er wat omgeroepen, eerst in het Zweeds, daarna ook in het Engels. Er lag een boomstam op de rails; de machinist had geremd, maar de loc was er toch tegenaan gekomen en was daardoor beschadigd. Er moest een andere locomotief komen en dat zou enige tijd gaan duren. Gällivare lag ruim honderd kilometer verderop. Het kostte uiteindelijk twee uur om de loc aan te voeren. We gingen ondertussen naar buiten en liepen langs het spoor. De zon gaf nog warmte en vooral ook lange schaduwen. Ruth en ik deden spelletjes met onze schaduwen, we probeerden door allerlei combinaties dieren te vormen. We begonnen met een hond en wat later vormden we een slingeraap, langgerekt op het zand naast het talud. We gingen helemaal op in ons spel en ineens zei Ruth, ‘ laten we over onze schaduw heen springen.  Ik begin!’ Ze nam een aanloop en het was net of ze mij besprong toen ze over mijn donkere afgietsel vloog. ‘Nu jij, Willem’. Ik zag Ruth staan en ik zag haar langgerekte versie, ik vloog op haar af en wist net op tijd een botsing te vermijden.  Ik sprong over haar heen!  Toen floot de conducteur dat we weer in de trein moesten klimmen.

Enkele uren later dan gepland, zo rond middernacht kwamen we in Gällivare aan. Van school herinnerde ik me nog dat daar veel ijzererts wordt gewonnen. We zagen er het prachtige houten treinstation. De nu laagstaande zon zorgde voor een extra romantisch effect. Je kon nog altijd buiten lezen, maar het was toch een ander licht dan overdag, meer mysterieus en omfloerst. Op het perron kregen we koffie voordat we met een andere trein verder gingen. In de coupé  schurkten Ruth en ik tegen elkaar aan.  We voelden nog geen slaap. De zon stond als een rode bol precies in het noorden. Het licht viel op de hoogspanningskabels langs de trein. De elektriciteitsdraden glinsterden. In de verte zagen we de blauwachtige bergen. Ruth kuste me. Ik voelde dat we dit niet zouden vergeten, deze nacht op het spoor, steeds verder naar het noorden.

We speelden het spelletje ‘welke romans hebben we vandaag nagespeeld?’. Ruth dacht aan ‘Nooit meer slapen’, ik hield het op ‘Het stenen bruidsbed’. Op een stenen bruidsbed kan je nooit meer slapen, was ons compromis. ‘Van Harry Hermans toch’, zei mijn geliefde lachend. Eindelijk begonnen we te knikkebollen en raakten we in een toestand van halfslaap die duurde tot we in de ochtend Narvik bereikten. Daar hoog in het noorden daalden we via een bergpas naar zeeniveau en zagen we de Atlantische oceaan op ons afkomen. Hand in hand liepen we daar die ochtend langs het water, moe van het slaaptekort, maar helder in ons hoofd. Aan een groot oorlogsmonument zagen we dat zo ver van huis ook hier de Duitsers in de oorlog flink hadden huisgehouden. ‘Laten wij de vrede maar gaan vieren’, zei Ruth. Die middag voegden we in de hotelkamer de daad bij het woord. Nu hadden we onze schaduwen niet meer nodig!

 

 

 

© José van Rosmalen, 2013