Josevanrosmalen.nl
Home » Verhalen » De klap op de vuurpijl

De klap op de vuurpijl

 

De eenmalige uitkering die hij begin november had aangevraagd kreeg hij nog net voor Kerstmis binnen. Driehonderd ballen voor een alleenstaande AOW’er, dat die Lubbers dat nog kon opbrengen.

Het hele zooitje kon hem gestolen worden trouwens. De Slotmeester Bank waar hij tot zijn 65e had gewerkt, had geen cent pensioen voor hem opgebouwd, omdat hij toch maar alleenstaand was, en nu, op zijn zevenenzestigste kon hij zijn flatje op de Wetering maar nauwelijks meer betalen. De kerstdagen bracht Jaap Willems thuis door met boeken uit de bibliotheek, want lezen kost niets.

Al weer bijna een jaar voorbij, dacht hij toen hij achter zijn boerenkool met worst zat, zou ik het einde van de eeuw nog moeten halen, zonder ooit nog eens uit de band te springen?

Op de 28e december, ‘s morgens om negen uur, stapt Jaap een winkel binnen, waar een rood papier op de etalageruit is aangeplakt met ‘vuurwerk te koop’.

Hij vraagt het meisje achter de toonbank om de vuurpijlen te laten zien en zoekt de grootste uit, f 12,50. Volgens de tekst op de verpakking geeft hij veel kleuren en ook een knal. Thuis bergt hij de pijl op in de muurkast en zet zich weer tot zijn gewone dagelijkse bezigheden. Op oudejaarsavond gaat Jaap tegen twaalven de trappen van het flatgebouw af naar beneden,  waar hij de buurman en de buurvrouw in de gemeenschappelijke hal treft. Zij hebben rotjes bij zich. Jaap laat de vuurpijl zien. ‘Je hebt in de buidel getast voor zo’n mooie pijl’, zegt de buurvrouw. Om twaalf uur zet Jaap de pijl in een melkfles en steekt het lont aan. Hij kijkt de buurman triomfantelijk aan. Groen, rood, blauw en geel, allerlei kleuren spatten in stralen uiteen. De buren wensen meneer Willems gelukkig Nieuwjaar. Zijn stem wordt onvast. Zachtjes zakt hij voorover in elkaar, speeksel komt uit zijn mondhoeken. De buren vangen hem op. Het is zijn laatste klap.

 

© José van Rosmalen

 

opgenomen in bundel 'over grenzen'