Josevanrosmalen.nl
Home » Verhalen » Das war zweimal

Das war zweimal

 

 

Horst Simmel sluit het smeedijzeren hek achter het pad naar de garage en stapt in de auto. Hij steekt zijn hand op naar Ilse, die hem vanuit de verlichte huiskamer nakijkt, wetend dat zij in de ochtendschemer hem slechts als een schim ziet. De straat is nat.

Hij rijdt enige kilometers langs het meer, met aan de rechterkant het donkere water en in de verte de lichten van de autosnelweg; het najaarsgroen links begint langzaam kleur te krijgen. Eenmaal op de autosnelweg rijdt hij in ruim een half uur naar het centrum van Berlijn, waar hij even voor half negen zijn auto op de hem toegewezen plaats in de parkeergarage stalt. Met een snelle lift gaat hij naar zijn kantoor, gelegen op de zesentwintigste verdieping van het hoofdgebouw van het ministerie voor voorlichting en volksopvoeding. Hij hangt zijn jas op en gaat op de draaistoel achter zijn metalen bureau zitten, vanwaar hij zijn hele werkkamer kan overzien. Links door het raam ziet hij de vale grijze lucht en buigt hij zich zijwaarts, met zijn hand steunend op de radiator,  ziet hij de vage contouren van de stad.

Horst Simmel is hoofd van de afdeling jeugdlectuur, welke afdeling vooral is belast met de controle van kinderboeken. Hij kent de belangrijke passages uit de beleidsstukken die hij in zijn loopbaan heeft moeten schrijven uit zijn hoofd, zinnen uit zijn vele voorlichtingspraatjes kan hij dromen. Het gaat om het opvoeden tot socialisme en het fundamenteel bestrijden van het fascisme. Sociaal wetenschappelijk onderzoek heeft geleerd dat de inhoud van kinderboeken een belangrijke socialisatiefactor is, met een doorwerking op lange termijn. Eén van de centrale doelstellingen van de socialisatiepolitiek is ervoor te zorgen dat klassenvijandige informatie niet in kinderboeken doordringt en dat kinderen verrijkt worden met klassengebonden bewustzijnsinhouden.

Horst schrikt op uit zijn overpeinzingen, nu op de deur wordt geklopt en na zijn “ja, bitte”, Lotte met de post binnenkomt. Hij neemt deze door, maakt een paar aantekeningen en bereidt vervolgens de stafvergadering voor die van elf tot half een op zijn programma staat.

Horst staat aan het hoofd van een team van achttien gekwalificeerde medewerkers, pedagogen, onderwijskundigen, statistici, psychologen en sociologen. Alle hebben zij tot taak om te controleren, maar ook te stimuleren dat de doelstellingen van de socialistische onderwijspolitiek worden bereikt. Over drie maanden gaat Horst met pensioen. Zijn taken draagt hij over aan de jonge statisticus Jürgen Kneipert. Als opvolger niet Simmels persoonlijke keus, maar hem opgedrongen door de centrale directie socialisatiepolitiek. Deze schijnt de technische vakbekwaamheid van Kneipert belangrijker te vinden dan de cultuurpolitieke inspiratie waarvan Simmel steeds een voorstander is geweest.

De stafvergaderingen duren nu aanzienlijk korter dan enkele jaren geleden het geval was, nu veel discussies door Jürgen als ideologische quatsch worden bestempeld en hij daarin, vindt Horst, een aantal gemakzuchtige medewerkers meekrijgt.

‘Socialisme moet je kunnen meten’, luidt de lijfspreuk van Jürgen. Horst gruwt bij dit gebrek aan visie, maar hij weet dat zijn rol is uitgespeeld en hij niet over zijn graf heen kan regeren. De stafvergadering duurt inderdaad niet langer dan de geplande anderhalf uur; formeel zit Horst voor, maar in feite geeft Kneipert steeds de richting aan waarin de beslissingen genomen dienen te worden. Hij moet afstand nemen.

De afgelopen zomer hebben Ilse en hij een strandvakantie gehouden in Bulgarije aan de Zwarte zee. Opnieuw, na bijna 45 jaar las hij Döblins’ Berlin Alexanderplatz. Berlijn, de stad waar hij in 1918 werd geboren, de stad waar hij naar school ging en naar de universiteit, de stad van glitter en vermaak, van angst en terreur, de stad die straat voor straat door de Russen werd bevrijd, de hoofdstad van een nieuwe socialistische staat.

Aan de zwarte Zee sloeg de verwarring toe, wie was hij, wie is hij, in 1939, in 1940 en nu in 1982. Het komt boven nu, in 1942 werkte hij bij de afdeling Inheemse Volkskunde, bij het Rijksministerie van Binnenlandse Zaken, als jong wetenschapsman was hij daar zijn carrière begonnen.

Hij herinnert zich een brochure, in geel kaft, met zwarte gotische letters, die hij toen schreef met als titel, socialisatievragen in de moderne samenleving en als ondertitel, een weg naar nationale eenheid en strijdbaarheid; daaronder in rode letters zijn naam Horst E. Simmel. De letters op het gele kaft, zwart en rood, dansen in zijn verbeelding. Nergens is de brochure meer te vinden, nergens mag deze brochure meer zijn, misschien ligt hij nog in het stof in een archief in West Berlijn, maar zien zou hij hem nooit meer. Maar stond er niet in…’de socialisatie dient er op gericht te zijn de Duitse jeugd te doordringen van haar waarde voor het voortbestaan va het Duitse Volk en de Duitse Staat. Onduitse gedachten dienen in de kiem gesmoord te worden.’ Het spookte, fascistische taal die hij had geschreven. Ilse, ben ook ik dan fout geweest?

‘Ach, het was die verschrikkelijke tijd, je móést om in leven te blijven en je moet nog steeds, maar over een half jaar dan ben je met pensioen, dan zijn de zorgen voorbij, dan hoef je nooit meer naar de stad als je niet wil.’ Je moet nog steeds, met een schok dringt het tot Horst door dat zijn rol in al die jaren niet is veranderd, hij is ingehuurd als ideologische hofnar, hij heeft geen echte invloed op beslissingen, maar helpt wel deze te rechtvaardigen.

Ook na deze zomer is Horst weer gewoon aan het werk gegaan. Alles lijkt hetzelfde, maar iets in hem is gebroken, hij is niet meer de man die vanzelfsprekend gelooft in zijn werk.

Na de stafvergadering zegt hij tegen Lotte dat hij een vrije middag neemt. Voor hem een uitzonderlijke beslissing. Hij loopt over de Alexanderplatz, langs de brede straten die hij vanuit zijn kantoor kan zien. Hij loopt verder, door de smallere straten en komt in een ouder stadsgedeelte, de stad die hij niet meer kent. In een nauwe straat hoort Horst muziek uit een raam boven, muziek als in de jaren dertig. Er valt een zachte regen, Horst knippert met zijn ogen, het is tijd dat hij opstapt, het is tijd voor Jürgen Kneipert.

 

© José van Rosmalen

 

opgenomen in bundel 'over grenzen'