Josevanrosmalen.nl
Home » Mijn ouders en voorouders » Een katholieke jonge man

Een katholieke jonge man

 

Mijn vader werd in 1917 geboren als eerste kind van Jos van Rosmalen en Clasina van Boxtel.  Mijn opa werd ook wel Sjef genoemd, een andere afleiding van Joseph.

Opa had in het oude centrum van Den Bosch een loodgietersbedrijf en later werd dat ook een winkel, steevast 'de zaak' genoemd. Oma bestierde het huishouden, maar had daarbij assistentie van een dienstbode en een kindermeisje; zij praatte veel en graag. Opa zei minder maar was wel helder en bleef dat tot op hoge leeftijd. Na mijn vader volgden nog zes kinderen, drie jongens en drie meisjes.

Mijn vader ging als twaalfjarige naar het klein seminarie in Nijmegen. Hij kon goed leren en hij werd tot het priesterschap geroepen zoals dat officieel heette. Het was in zijn milieu het enig mogelijke excuus voor een intelligent kind om door te leren. Iets anders doen dan met je handen je brood verdienen was iets bijzonders.  

Mijn vader leerde er Grieks, Latijn, Hebreeuws, kerkgeschiedenis en natuurlijk wat rekenen en moderne talen. Hij kende zijn talen goed, hij vertaalde later veel boeken en sprak behoorlijk Frans en Engels en wat minder Duits. Het seminarie was een jongens- en mannengemeenschap. Er heerste, evenals op de kostschool waar mijn moeder enige jaren later naar toe ging, een strenge orde. Op het seminarie hoorde daar nog meer gebed en liturgie bij. Er was bij de paters een obsessie voor 'ongezonde vriendschappen', het met twee jongens bij elkaar zijn; er moest altijd een derde bij zijn. Er was, zo voel ik het, een verdrongen angst voor seksualiteit en tegelijkertijd een behoefte aan controle. Na het klein seminarie volgde het groot seminarie, in Wittem, in Zuid Limburg. Daar verbleef mijn vader van 1935 tot 1941 bij de paters  Redemptoristen.  Hij was toen dicht bij zijn laatste priesterwijdingen, maar werd toch geen priester. Wat hem er op het beslissende moment van weerhield kan ik alleen maar gissen; uit sommige uitlatingen leid ik af dat hij het er moeilijk mee had. Hij voerde gesprekken met een psychiater. Hij moet er tegen op hebben gezien om echt priester te worden of aan zichzelf hebben getwijfeld. De reacties uit zijn familie waren kil toen hij afhaakte. Heeroom van Boxtel reageerde met 'velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren'.

Als jonge man was hij vervreemd van zijn ouderlijk milieu. Hij ergerde zich aan oma en aan het kort houden van zijn zussen. Als man van vierentwintig met twee linkerhanden en een intellectuele opleiding, had hij niets te zoeken in een loodgieterszaak  Het was 1941 en er waren niet veel betaalde banen, je mocht blij zijn als je ergens mocht komen. Een tijdje werkte hij als organist in een kerk in Rosmalen, maar dat was geen broodwinning.

Toen werd hij volontair, vrijwillig medewerker bij de katholieke uitgeverij Het Spectrum, in Utrecht. Ik weet niet of hij daar op voorspraak of via een sollicitatiebrief kwam, maar hij ging er werken, aanvankelijk voor niets, na enkele maanden kreeg hij zijn reiskosten vergoed, maar nog steeds geen salaris. Opa moet hem in die tijd dus toch geld hebben gegeven want hij kon niet van de wind leven. Pas na een half jaar verdiende hij wat.

Boeken uitgeven was in de oorlog een hachelijke onderneming. De Duitsers waren niet dol op vrijheid van meningsuiting, lang niet alles kon men uitgeven. Het gevaar van collaboratie loerde. Aan de andere kant was lezen belangrijk, juist ook in de oorlog. Je kon je dan even in een andere wereld wanen. Mijn vader woonde op kamers, eerst op de Justus van Effenstraat en later bij een tante van een collega. Toen ik zo'n jaar of veertien was, zag ik haar nog op haar sterfbed, op de Mariaplaats in Utrecht.

De verbinding tussen Utrecht en den Bosch werd tegen het eind van de oorlog verbroken. Zuid Nederland was bevrijd, Utrecht nog niet. Mijn vader zat in Utrecht, letterlijk afgesneden van den Bosch. Hij had contact met een meisje uit Rotterdam. Tot een verloving kwam het echter niet.

Mijn vader leerde mijn moeder via haar oudere broer kennen. In 1945 werd er in Utrecht een gezelligheidsvereniging opgericht voor katholieke jongelui, waar beiden op af kwamen. Die vereniging heette ‘Diversitas’. Volgens de overlevering werd die vereniging opgericht om trouwlustige katholieke jonge mensen van beide seksen met elkaar in contact te brengen, maar was hiervoor een cultureel vernisje nodig. Het was, volgens mijn moeder, ook een verweer tegen de naoorlogse losbandigheid toen Canadese en andere bevrijders helemaal niet uit waren op vaste relaties of degelijkheid. Hoe het ook zij, zo kwamen mijn vader en mijn moeder of liever Bep Pozzi en Jo van Rosmalen met elkaar in contact, in het jaar 1945, vermagerd, moe, arm en nog jong. Met de oorlog net achter zich en met de hoop op een beter leven;  mijn vader, los van zijn Bossche milieu en mijn moeder, uit een onderling verdeeld gezin.

Bep en Jo gingen zich verloven en trouwen. Hun eerste huis was aan de Cremerstraat, om de hoek van de Hasebroekstraat. In het najaar van 1946 werd mijn moeder zwanger. Tijdens die zwangerschap verhuisden mijn ouders naar een bovenwoning aan de Groeneweg, als onderhuurders bij een hospita.

 

Op 14 mei 1947 werden Jo en Bep mijn vader en moeder.

 

© José van Rosmalen, 2013