Josevanrosmalen.nl
Home » impressies en herinneringen, jaren tachtig » Het land van mijn voorvaderen, 1981

Het land van mijn voorvaderen

 

 

Wij hadden die zomer een reis naar Lugano geboekt, dat in Ticino, het Italiaanssprekende deel van Zwitserland ligt. Mijn moeder, van Italiaanse komaf, had mij gevraagd om in Cressogno, een dorp aan het meer van Lugano, juist in Italië gelegen, te zoeken naar het graf van Domenico Pozzi, haar betovergrootvader. Zijn zoon Carlo nam als huurling dienst in Napoleons leger en kwam via Brussel uiteindelijk in Utrecht terecht. Hij trouwde met een Belgische, in Doesburg. Samen brachten zij een bescheiden tak Nederlandse Pozzi’s voort.

 

Dit verhaal en de namen van mijn grootvader, overgrootvader, betovergrootvader en oud-betovergrootvader, staan in mijn geheugen gegrift. Het herhaald vertellen was een ritueel, het betekende, je hebt niet zomaar een familie, maar een familie met een geschiedenis, beladen met avontuur, waar jij uiteindelijk uit voort bent gekomen. Zonder Napoleon zou ik niet zijn wie ik ben!

 

Voor de oorlog heeft een tante, de oudste zus van mijn moeder, reeds een speurtocht gemaakt naar Cressogno; een paar vage kiekjes in het fotoalbum van mijn moeder vormen daarvan het tastbare bewijs.

Zij had daar gegevens teruggevonden tot de zestiende eeuw, zij was zelfs gestoten op een Pozzi di Borghia, mogelijk een bastaardtak van een paus.

 

Nu ging ik dan zelf naar Cressogno. Uiteindelijk kwam ik er midden op de dag aan. Ik liep naar een kerkje waar ik niet in kon. Vervolgens  liep ik de kustweg verder af en zag in de verte een kerk, waarnaar een bord met Maria del Virginie wees. In de kerk was er rechts achterin een Antonius kapel. Voor het beeld brandden veel kaarsen. Er hingen een aantal fresco’s aan de muur, waarvan ik de afbeeldingen in de donkere kerk niet goed kon onderscheiden. Er hing een groot marmeren blad met namen van kerkbestuurders. In de zestiende eeuw was er een Pozzi bij, maar verder waren er geen aanknopingspunten. Over de smalle bovenweg liep ik terug in de richting van het dorp. Rechts lag een kerkhof. Tot mijn teleurstelling lagen er vooral recente doden. De enige die de vorige eeuw al was overleden had het tot professor gebracht en was kennelijk belangrijk genoeg om ook nu nog herdacht te worden. Mijn voorouders echter niet.

 

Ik liep verder over de bovenweg, langs luxe huizen met verzorgde tuinen, maar ook langs boerderijen met kippen, varkens en honden. De weg kwam uit bij het centrum van het oude bovendorp, Cressogno superior.  Hier kwamen smalle straatjes die in verschillende richtingen naar boven en beneden liepen, op een klein stenen pleintje bij elkaar.

Daar zag ik vooral oudere mensen met donkere ogen en verweerde gezichten, in donkere kleuren gekleed. Ik dacht trekken van mijn moeder te herkennen  en koesterde mij in het gevoel hier een beetje vandaan te komen. Deze bochtige straatjes, deze Antonius verering, deze kippen op een erf, dit weidse uitzicht op het zinderende meer! Tegelijkertijd voelde ik mij een verre toeschouwer, die met niemand een woord wisselde, een voyeur van mijn eigen familiemythe.

 

In St. Mamete, het volgende dorp, stapte ik op de boot, vol met toeristen, die een uurtje in Osteria, aan het eind van het meer gelegen, gingen kijken. Ik at een ijsje en liep door de karakteristieke straatjes. Vanaf de boot terug naar Lugano kon ik niet meer onderscheiden waar Cressogno lag. Misschien had mijn tante indertijd hetzelfde gezien en het thuisfront met veelbelovende verhalen tevreden gesteld  om haar eigen expeditie te rechtvaardigen. Wie weet was ze bij het gemeentehuis meer te weten gekomen, ik had die moeite niet genomen, maar het was goed zo, ik had een paar ook weer onbeduidende kiekjes genomen en het enige dat mij verontrustte was toch de herhaling van een ritueel bezoek, ruim veertig jaar na dat van mijn tante.

 

Met tegenlicht naderde de boot Lugano, de bergen waren blauwachtig, de stad kwam betoverend op mij af. Bij de aanlegsteiger stond mijn vrouw te wachten. We gingen op een terras zitten op het plein bij het stadhuis. Ik dronk een glas Campari, want ook dat moet je eens in je leven hebben gedaan!

 

© José van Rosmalen

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.
0 stemmen