Josevanrosmalen.nl

Gek in Duitsland

 

Begin augustus ging ik met die brommer naar het Duitse Herborn. Ik had mij opgegeven voor een internationaal werkkamp. Drie weken zou ik gaan werken in een psychiatrische inrichting. Ik vertrok de eerste dag en reed tot Monchengladbach. Daar sliep ik in een jeugdherberg. 's avonds liep ik met een paar jongens naar een cafe. De waardin liet zich door verschillende gasten betasten. De volgende dag reed ik met mijn brommer door het Ruhrgebied naar Keulen, langs de Dom, over de Rijnbrug en daarna een stuk langs de Rijn. Daar werd het landschap mooier. Ik reed tot Altenkichen, waar ik mij bij de jeugdherberg meldde. Die nacht hielden een aantal kleine jongens mij uit de slaap omdat zij kussens gooiden en steeds bleven klieren. Een Duits meisje vroeg me de volgende ochtend of ze bij mij op de 'Moped' een eind mee mocht rijden. Ik zei dat ik verder moest naar Herborn.

 

Herborn ligt in een dal, het Dilletal. Van de omringende heuvels kwam ik met mijn brommer naar beneden met de motor uitgeschakeld. Bij bochten moest ik zelfs afremmen.

Ik reed door de plaats en zocht naar de Krankenhausstrasse waar de psychiatrische kliniek lag. Rond vier uur in de middag kwam ik aan, op een zondag. De volgende ochtend zou het werkkamp beginnen. Voor de internationale groep moest ik in een apart paviljoen zijn, los van de psychiatrische inrichting. Ik kwam daar Allan Hannah tegen, de groepsleider. Hij leidde het kamp in opdracht van de internationale organisatie. Hij was voor in de dertig. Geleidelijk maakte ik kennis met de andere deelnemers, Carlos uit Spanje, Ingrid uit München, Elisabeth uit Drachten, John uit Engeland, Ingegerd uit Zweden, Hansa en haar broer uit Kenya, Claus ergens uit Duitsland. En nog een Duitse, ik weet haar naam niet meer. En waren drie Marokkanen, Achmed, Achmed en Mokhtar; een van de beide Achmeds sprak naast Frans behoorlijk Duits. Het kamp bestond uit lange ochtenden werken en 's middags culturele of andere programma's. Ik zou helpen in een van de paviljoens met psychiatrische patiënten. Van wat ik daar zou moeten doen had ik nauwelijks een idee. Ik ging de volgende ochtend om halfacht naar een van de paviljoens met een Duitse verpleger; het was een gesloten afdeling, met zo'n twintig mannen. Ze droegen allemaal grijze gestichtskleren. Een van de verplegers zei dat ik maar moest proberen een praatje te maken met de patiënten. Er was een man uit Dordtmund. Hij liep steeds op en neer, evenwijdig aan zijn bed, zo'n twee meter heen, twee meter terug, als een vogel in een kooi. Veel meer dan dat hij uit Dortmund kwam, kwam ik niet van hem te weten. Hij was vijfenveertig. Bij de toilet vroeg een andere patiënt of ik homoseksueel was. Hij zei dat hij dat dacht vanwege mijn uiterlijk. Ik had het gevoel dat hij toenadering zocht en voelde me lichtelijk bedreigd. Ik zei daarvan iets tegen een van de verplegers. Het is gewoon uitproberen, zei hij. Die maandagavond gingen we met de groep in Herborn eten; er ontstond een gezellige sfeer. Allan had meegedaan aan de Olympische Spelen in Rome, ik meen op de Steeple Chase en hij vertelde over de sfeer daar. Met de Duits sprekende Achmed liep ik mee terug, hij studeerde medicijnen.

De tweede dag werd ik rondgeleid door het ziekenhuis, langs de diverse afdelingen. In één afdeling werden mensen verpleegd die geen grote hersenen hadden. Zij werden in leven gehouden, ze bleven klein. De oudste was eenentwintig. Ik begreep waarom dat zo was zonder er naar te vragen. Daarvoor werden ze zeker niet in leven gehouden, daarna -wellicht krampachtig- juist wel. Na een paar dagen vroeg een verpleger om te kijken hoe bij een patiënt bloed af werd genomen. Ik was bang voor bloed en terwijl ik stond te kijken, voelde ik het zwart voor de ogen worden. Ik viel flauw. Toen ik bijkwam stonden er mensen om me heen. Ik zei, 'mama waar ben ik', maar ik realiseerde me snel dat ik in Duitsland was, in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarna gebeurde er iets wat ik -ook achteraf- heel vervelend vond. Ik werd verwezen naar een dokter die me onderzocht. Dat onderzoek bestond er uit dat er allerlei elektroden op mijn hoofd werden gezet en dat er een EEG werd gemaakt, eigenlijk zonder dat ik daar toestemming voor had gegeven. De dokter zei na het onderzoek dat hij een lichte ruis constateerde, het was niet ernstig, maar ik zou beter ander werk kunnen doen. Het gevolg was dat ik de volgende dag naar de tuinderij werd overgeplaatst. Met Achmed en Mokhtar moest ik daar planten in de kassen begieten. Daar in de kwekerij midden in het dal, met de blauwige heuvels om me heen, voelde ik de voortdurende warmte, het was droog en dik boven de dertig graden. Tussendoor moest ik veel water drinken. Er waren een paar meisjes die daar meewerkten, een ervan was Elfi.

Die donderdag of vrijdagmiddag werd er eerst een groepsfoto gemaakt. Daarna ging ik naar mijn slaapzaal, met een fles mineraalwater. Het was warm. De Duitssprekende Achmed, niet degene die ook in de kwekerij werkte, vroeg mij of ik mee ging zwemmen. Ik vond het te warm en had geen zin. Hij ging met een paar anderen. Anderhalf uur later kwam er een enorme schrik. Achmed bleek in het zwembad een hartstilstand te hebben gekregen en snel daarna te zijn overleden.

Er ontstond grote verslagenheid binnen de groep. Achmed was vijfentwintig jaar. De artsen zeiden dat hij niet meer gereanimeerd kon worden. Zijn lijk zou naar Marokko worden overgevlogen. Toch ging de groep door en het programma ook. Juist de twee andere Marokkanen straalden onmiddellijk iets uit van het leven gaat door. Achmed vertelde dat er in Marokko vaak hard met mensen wordt omgegaan. Mensen die ziek of oud zijn worden soms verstoten of aan hun lot overgelaten. Uit een krantenbericht bleek dat er 2000 mensen bij de begrafenis in Marokko waren geweest. Over Achmeds dood en de begrafenis stond een berichtje in de Herborner Zeitung. We werden ontvangen in het Stadhuis. De burgemeester sprak over de idealistische jongelui uit de hele wereld en over het schrecklige gebeuren rond Achmed.

 

Met de baas van de kwekerij en Carlos ging ik een avond mee op jacht. Die baas maakte over de slag bij Arnhem opmerkingen die me niet erg bevielen. Da sind ja viele gefallen zei hij licht verwijtend in mijn richting. De jacht vond plaats in de heuvels boven Herborn.

 

De excursies bestonden onder meer uit een dagtocht naar Kassel. Dat ging met boemeltreinen en een paar keer overstappen. Een ander uitje was een boottocht op de Rijn, langs de Lorelei tot aan Koblenz. Verder gingen we een keer naar  een meer, waar we met roeiboten voeren. Ik zat met Ingrid in een boot, ze sprak met een zangerig Zuidduits accent en had mooie lichtblauwe ogen. Ze had een vaste vriend vertelde ze. Dus wat dat betreft hoefde ik me geen illusies te maken.

 

Elfi had meer belangstelling voor mij. Ze vond een buitenlandse jongen wel interessant en verveelde zich in het Schwesterinnenhaus. Later schreef ze nog een paar brieven aan mij, met de vraag om mal ein Andenken te sturen. De laatste avond van het kamp was een avond waar ieder wat vertelde of liet zien over zijn eigen land. Het mocht ook een spelletje zijn. Ik kan me geen details herinneren, wel dat ik met enige weemoed afscheid nam. Terug naar Utrecht. Ik reed tot Keulen waar ik in de jeugdherberg overnachtte. 's Avonds bekeek ik de Domkerk. De beheerder van de jeugdherberg had één arm. De andere had hij waarschijnlijk in de oorlog verloren. Zijn specialiteit was het zingen van liedjes met gitaarbegeleiding. Daarmee wekte hij 's morgens in alle vroegte de gasten. Ik reed in een dag toen de 250 kilometer tot Utrecht. Ik was weer thuis.

 

© José van Rosmalen