Josevanrosmalen.nl
Home » impressies en herinneringen, jaren zestig » Groentijd in Wageningen ( 1966)

Groentijd in Wageningen ( 1966)

 

In 1966 ging ik in Wageningen studeren. Ik werd daar  lid van de katholieke Studentenvereniging Sint Franciscus Xaverius. Na drie introductiedagen volgde de groentijd. Die drie introductiedagen werden er allerlei inleidingen gegeven, over het studeren, over etiquette, over het verschil tussen een wijnglas en een sherryglas, een aardappellepel en een groentelepel, over het lezen van kranten enzovoorts. Allemaal opvoedkundig bedoeld.  Er waren veel boerenzonen, maar ook jongens uit steden zoals den Haag of Maastricht. Bij de katholieke studentenvereniging kwamen er veel jongens uit het Zuiden. Slechts enkele meisjes waren lid.

 

Na de drie dagen introductie begon de groentijd. Die begon met het kaalscheren van de studenten door een plaatselijke kapper. Diezelfde kapper deed bij mij een paar maanden later zijn best om het haar weer in model te knippen. Eenmaal kaalgeknipt keek ik vol schrik in de spiegel. Ik vond dat ik mijn gezicht had verloren. Het hoort er nou eenmaal bij, dacht ik, het is een ritueel.

Uren moesten we in een benauwde zaal op appèl zitten of staan, in alfabetische volgorde je naam zeggen. Liederen zingen. Io vivat, Bier her, Chevaliers de la Table Ronde, het eerstejaarslied 'Wij zijn de alpha plussen zesenzestig, wij zijn Franciscanen op zijn best', geïnspireerd op 'Brave New World' van Aldous Huxley. Van tevoren hadden we dat boek opgekregen en ik had het inderdaad gelezen. Het appèl duurde vaak eindeloos, het kwam steeds terug.

Op een dag moesten we ons in een verduisterde kamer voorstellen aan de leden van de Senaat, het bestuur van de vereniging. Eerst moest je wachten. Als je het fout deed werd je in een donkere telefooncel gestopt, met een aantal anderen. Er was van tevoren helemaal niet gezegd wat je moest doen, daar moest je maar achter zien te komen.. 'Meneer, mag ik met u kennismaken' was fout, laat staan 'meneer ik ben José van Rosmalen, wie bent u'. De formule was 'mag ik mij aan u voorstellen' en pas als de ander had gezegd 'ja klooi', mocht je je naam zeggen. Het was de cultus van de ongelijkheid.

Het duurde tijden voordat het voorbij was en ik vond het afschuwelijk en vernederend, ook omdat je niemand echt kon zien. 's Avonds moest je 'de kroeg in'. De kroeg betekende dat ouderejaars studenten het recht hadden om de meest absurde vragen aan de groentjes te stellen. Het dieptepunt was om je over de vloer te laten kruipen en bier in je broekspijpen te gieten. Kikkeren werd dat genoemd of ook wel de ballentest. Ik merkte dat er onder de ouderejaars studenten wel verschillen waren. Er waren er bij die de groentijd gebruikten om zelfs sadistische neigingen bot te vieren, anderen gedroegen zich normaal of voerden zelfs een aardig gesprek. Maar het was vermoeiend. Het duurde van 's morgens vroeg tot 's morgens vroeg. Je had niet de vrijheid om zo maar even weg te gaan, althans ik herinner me daar weinig van.

Het werd allemaal gerechtvaardigd vanuit het idee dat je zo gehard wordt en tegen een stootje moet leren kunnen. Bovendien zou je  zo ‘elkaar goed leren kennen’, door het ‘Wij Franciscanen-gevoel’.  Ondertussen heerste er binnen de vereniging een strenge hiërarchie als  een veronderstelde afspiegeling van die in de maatschappij. De ouderejaars had het recht om de jongerejaars van zijn stoel te verjagen. Anciënniteit heette dat. Door die groentijd werd bij mij de kiem gelegd om mij in Wageningen niet thuis te voelen.

 

Sommige dingen spraken me wel aan. Op de zolder van de vereniging was een bar met allemaal kitsch-troep, waar je cola en bier kon drinken en waar platen van de Beatles stuk werden gedraaid, Penny Lane, Yellow Submarine. Dat was heel anders dan in de kroeg, waar voortdurend mores heersten. Dat gedoe van die mores zoals dat je in de kroeg een stropdas moest dragen stond mij tegen. Af en toe werd er in de kroeg gevochten, soms zelfs stevig. Dan werden er glazen en flessen kapot gesmeten of iemand werd hardhandig de kroeg uit gewerkt. Een paar keer had ik bardienst. Ik moest pils tappen en een keer werd ik ondertussen dronken gevoerd. Tijdens de fietstocht naar mijn kamer viel ik een paar keer in de berm. Na twee weken groentijd ging ik met de brommer naar mijn ouderlijk huis in Utrecht. Zaterdag heen, zondag terug. Maandag tot en met woensdag zou de groentijd met een werkkamp worden afgesloten. Ik was doodop. Zondagmiddag reed ik met de brommer langs de route Zeist, Driebergen, Doorn, Leersum, Elst. Ik had een grijze kunstleren jas aan en een helm op mijn hoofd. Ergens bij Leersum versprong het fietspad van de linkerzijde naar de rechterzijde van de weg. Ik reed de maximumsnelheid van vijfenveertig kilometer. Ik wilde de weg diagonaal nemen maar zag een greppel over het hoofd. Daar reed ik met volle vaart in. Ik maakte een smak. Er zat een deuk in de helm en er kwam bloed uit mijn mond. Mijn arm deed erg pijn. Ik stond op. Een auto uit de richting Rhenen stopte. Er zat een slag in het wiel van de brommer. Ik kon er absoluut niet meer mee rijden. Bij een familie aan de Rijksweg liet ik mijn brommer achter. De mensen die voor mij stopten brachten mij thuis. Ik durfde in de auto mijn helm niet af te zetten uit schaamte voor mijn kale hoofd. Er was een tand uit mijn mond. Vanuit huis ging ik naar het academisch ziekenhuis in Utrecht. Daar zaten veel mensen op banken te wachten. Ik werd meteen geholpen. ‘Zeker een student’ hoorde ik sissen, ‘die gaan hier altijd voor’. Dat was toen inderdaad nog het geval; in 2012 kun je je dat nauwelijks meer voorstellen.

 

Er zaten stukken tand in mijn lip en boven mijn lip. Die werden er met een pincet uitgehaald. Verder was mijn arm gekneusd, maar de helm had mij voor een ernstiger ongeluk behoed. Het werkkamp liep ik mis. Ik vond dat een geluk bij een ongeluk. Zo was tenminste de groentijd afgelopen. Ik zocht het telefoonnummer van de familie aan de Rijksweg in Leersum op. De brommer is gemaakt en teruggekomen. Maar na het ongeluk werd ik wel voorzichtiger.

 

Ik ging  weer naar Wageningen. Toen werd ik geïnstalleerd als lid van de vereniging. Er was toen  een dansavond, waar de nieuwe eerstejaars studenten kennismaakten met de meisjes van de vrouwelijke studentenvereniging. De jongens moesten in een rij staan en werden gekoppeld aan het meisje uit de meisjesrij dat toevallig net aan de beurt was. Daar moest je een avond mee praten en dansen. Ik met mijn gehavende gebit. Veel sjans had ik niet!

 

©  José van Rosmalen