Josevanrosmalen.nl
Home » Verhalen » De thuiskapster

De thuiskapster

 

 

Sinds haar scheiding,  drie jaar geleden, woont Ellen de Winter in een flat in Rotterdam Ommoord, op de achtste verdieping.  Ze kijkt uit op het riviertje de Rotte en het bos daarachter. Tweeëndertig is ze nu en een nieuwe liefde heeft zich nog niet aangediend. Ze werkt vier dagen per week als secretaresse en heeft op woensdag haar vrije dag, een mooi rustpunt zo midden in de week.

Op de laatste woensdag van november vindt ze een kaartje in haar brievenbus van ene Milou, die zich aanbiedt  als thuiskapster. Op het kaartje staat in goudkleurige letters  ‘je haar is voor mij de hoofdzaak; Tarief vanaf € 17,50’. Ellen bekijkt het kaartje en ziet het nulzesnummer. Duur is Milou in ieder geval niet en als ze af en toe woensdag bij haar thuis kan komen is dat wel handig. Ze legt het kaartje naast haar pc en laat het even rusten.

Later die middag belt ze toch op. ‘Hoi, met Milou.’ ‘Kan ik een afspraak maken om mijn haar in model te komen knippen?’ ‘Geen probleem, schikt het je volgende week woensdag om een uur of elf?’ Alsof ze aanvoelt dat woensdag haar vrije dag is! ‘Ja prima Milou, ik noteer het bij deze.’

Ellen zit weer achter de pc; ze kijkt op een paar nieuwssites. Politiek dat gelooft ze allemaal wel. Ze ziet ook een bericht  dat er sinds een week in Rotterdam een jonge vrouw wordt vermist, net als eerder een half jaar geleden.  Vast een enge kerel in het spel, denk Ellen, maar ik kijk voortaan wel uit na die toestanden met Vincent.

Tegen zessen bakt ze eieren en maakt een uitsmijter; daarna belt ze met haar moeder, zoals ze sinds haar scheiding bijna dagelijks doet. In haar werk heeft ze het niet zo naar haar zin, steeds heeft ze het gevoel er niet helemaal bij te horen. Ze heeft haar moeder als uitlaatklep hard nodig.

De volgende woensdag even voor elven gaat de bel. Ellen ziet op het videoscherm in de hal een forse vrouw. ‘Ik ben kapster Milou’. Even later staat ze voor haar deur. Ze is groot en stevig, zeker vijftien  centimeter langer dan Ellen met haar eenmetervijfenzestig.  ‘Welkom, Milou.’ ‘Fijn Ellen, dat ik al kon komen, ik heb mijn koffertje met spullen meegenomen.’ ‘Eerst tijd voor een kopje koffie?’ ‘Ja lekker, vind ik gezellig.’

Milou zit tegenover haar en kijkt haar vriendelijk aan. Haar stem klinkt warm. Ellen krijgt niet de indruk dat ze haast heeft. Ze bewondert het uitzicht, ‘wat woon je hier leuk’. ‘Ja, sinds mijn scheiding woon ik hier nu, af en toe wel een beetje stil hoor.’

‘Nou, zullen we dan maar eens gaan kijken wat ik voor je kan betekenen. Ga maar in een lekkere stoel zitten.’ Milou legt er een zeil onder zodat ze daarin de haren kan verzamelen. Ze heeft ook een badhanddoek meegenomen. Ze zeept het haar van Ellen rustig in en masseert ook een beetje de hoofdhuid. Ellen vindt het plezierig om zo onder handen genomen te worden.

Het is al bij half een als Milou klaar is. ‘Wat krijg je van me?’  ‘17,50 dat is mijn tarief.’ Ellen vindt het voordelig en pakt een briefje van twintig en zegt ruimhartig,’ laat het zo maar, je hebt zo je best gedaan.’ Milou bloost, maar neemt het geld wel aan.

Ze spreken af voor over vier weken. Milou is er opnieuw om elf uur. Ellen had al een beetje naar deze ochtend uitgekeken. Milou besteedt deze keer nog wat meer aandacht aan de massage.’ Dat helpt om je kopzorgen te verdrijven; ze waaien letterlijk weg.’ ‘Het doet me goed.’ ‘Ik kan wel iets vaker komen,  bijvoorbeeld om de twee weken.’

Na drie maanden is de komst van Milou een vast punt voor Ellen geworden. Ze kikkert ervan op, heerlijk zoals zij elke keer die handen om haar hoofd legt en zachtjes over de hoofdhuid wrijft. Ook neemt ze nu de schouders onder handen, dat is immers de basis waarop het hoofd rust. Ik vind het plezierig, denkt Ellen, hoewel ik zeker niet op vrouwen val. Zou het omgekeerde misschien het geval zijn? Nou ja, wat dan nog, ik voel dat het goed voor me is.

Haar moeder merkt ook dat ze de laatste tijd wat opgewekter is, iets van haar spanningen is kwijtgeraakt. ‘Nou als die kapster je helpt, hou die dan maar even aan; Milou heet ze toch?’

De laatste woensdag van april komt Milou al om kwart voor elf. Ze trekt haar jas niet uit. ‘Ik zag vorige keer dat je komende vrijdag jarig bent. Daarom wil ik vandaag je haar en je hoofd graag wat intensiever behandelen. Dat kan het beste bij mij thuis, ik heb daar meer spullen en een speciale behandelstoel. Ik zou het leuk vinden als je nu met mij meegaat. Deze keer doe ik dat helemaal gratis, als cadeautje.’ Wel spannend, denkt Ellen en leuk dat ze iets extra’s voor me wil doen.

‘Ok Milou’;  ze pakt haar handtas en jack en gaat achter Milou aan. Als ze in de kleine blauwe auto stapt, ziet ze haar buurvrouw met haar rollator aankomen.  Dan gaan ze weg uit Ommoord, richting Hillegersberg. Ellen pakt haar mobieltje en zegt ‘even mijn  moeder bellen’; ze begint met het toetsen van het nummer. ‘Sorry Ellen, ik kan daar niet tegen als ik rijd, bel straks bij mij thuis maar.’  Ze legt het mobieltje in het dashboardkastje. Ellen voelt zich wat overvallen, maar de toon van Milou is ineens wat strenger.

Ze rijden naar een dorp ten noorden van Rotterdam en stoppen bij een landhuis. ‘Wat een groot huis!’. ‘Mijn man is chirurg, ik doe het kapperswerk uit idealisme, niet om het geld.’

Ellen staat in de grote woonkamer en kijkt naar de tuin. Ze ziet het tuinhuisje achterin. Ook ziet ze diverse bloemperken. Een strook van een paar vierkante meter  is net omgespit. ‘Dat wordt een rozenperk Ellen’. ‘Nu eerst maar eens wat drinken, ik heb heerlijke verse vruchtensap.’ Ellen klokt het grote glas naar binnen. ‘Heerlijk Milou.’

‘Kom nu maar mee naar mijn behandelstoel.’ Ellen gaat mee naar de badkamer, ze voelt zich een beetje rozig worden. Ze zit nu naast het bad. ‘Ik ga goed voor je hoofd zorgen hoor.’ Ze wrijft over de nekspieren en de schouderbladen. Ellen bedenkt dat ze haar moeder nog niet heeft gebeld, ze wordt ondertussen steeds slaperiger. Ineens schrikt ze, ze denkt aan het bericht over vermiste vrouwen, dat ze bijna een half jaar geleden las, net toen ze Milou had gebeld. Niemand weet nu waar ik ben.  Ze  raakt in paniek, haar lichaam schokt, maar ze kan niks meer zeggen.

Marianne is nu geen Milou meer. Ze weet dat nu de hoofdzaak komt. Ze moet Ellen van alle kopzorgen bevrijden. Eerst is Ellens lichaam nog opstandig, daarna raakt het in coma. Ze doet haar werk met precisie.  In het tuinhuisje staat het voetstuk al klaar.  Het lichaam begraaft ze in de tuin. Ze doet de mobieltjes van Ellen en kapster Milou erbij en dekt de kuil af.  Ze plant er witte rozen op.  Ook deze keer heeft ze geen sporen achtergelaten, behalve dan die oude muts met die rollator die haar vanochtend nog zag. Het mobieltje van kapster Mandy ligt  nu op tafel. Volgende week gaat ze als Mandy aan de slag bij een dertigjarige vrouw in Zoetermeer.

Ellens moeder hoort die avond niks van haar, ze neemt ook niet op. Dat is raar.  Ze belt om elf uur naar de politie. Meteen wordt het bericht aan de recherche doorgegeven.  In het afgelopen jaar zijn er al meerdere jonge vrouwen vermist en nooit teruggevonden. Het hoofd van het team dat op deze zaak is gezet, An Krijgsman, roept de volgende ochtend om negen uur haar team bij elkaar.  ‘We beginnen met een huisonderzoek en een buurtonderzoek.’ Ze vinden de agenda waarin staat dat gisteren de kapster zou komen. Ook het kaartje met de gouden letters en het mobiele telefoonnummer treffen ze aan.  Van een oude buurvrouw horen ze dat Ellen in gezelschap van een grote vrouw in een blauwe auto stapte. Het kenteken begint volgens haar met een G. ‘Oplettende oude dame, dus!’ ‘We dachten tot nu toe aan een slechte man’, zegt Jan Willem. ‘Er zijn ook slechte vrouwen’, zegt An, ‘kijk maar naar mij’. Jan Willem lacht. ‘We weten verder dat Ellens mobiele telefoon gisterochtend om half twaalf is uitgeschakeld en dat daarna het toestel uitgeschakeld bleef.’ Vermoedelijk had ze voor het laatst bereik op de Molenlaan in Hillegersberg. Ook Ellens moeder heeft ons gezegd dat zij op woensdag vaak kapster Milou ontving, maar ze heeft geen adres van haar. Ze heeft haar ook nooit gezien. De mobiele telefoon van Milou is een prepaid toestel. Er wordt niet mee opgekomen. Er is in het verleden weinig mee gebeld, voor zover na te gaan alleen vanuit Bergschenhoek en Rotterdam.

Een kleine blauwe auto, met een kenteken dat waarschijnlijk begint met de letter G, een grote stevige vrouw van tegen de veertig; met die gegevens gaat  An de volgend ochtend op pad. Vermoedelijk is die stevige vrouw de kapster. An gaat met haar eigen auto vanaf Ommoord via de Molenlaan richting Bergschenhoek. Ze rijdt anderhalf uur rond. Ze kijkt uit naar blauwe auto’s en naar grote vrouwen; ze bedenkt dat afgelegen woningen extra aandacht vragen.  Zou het kunnen gaan om vrouwenhandel of een lustmoord? Ze vreest het ergste. Ze ziet veel blauwe auto’s , maar de kentekens beginnen nooit met de letter G. Haar oog wordt dan getroffen door een landhuis met een grote tuin, vanaf de straat ziet ze alleen een heg. Maar ze ziet ook een kleine blauwe auto. Het kenteken begint met een G. Ze belt haar collega Jan Willem om onopvallend te gaan posten en te kijken wie er het huis in of uitgaat. Milou of hoe ze ook mag heten moet geen argwaan krijgen. Jan Willem komt binnen een half uur in zijn joggingpak met een kijker in zijn rugzakje, ‘om naar vogels te kunnen kijken’. Na een paar uur ziet hij een vrouw voor het raam staan. Ze is lang en stevig en nog redelijk jong.

An en Jan Willem beraden zich. ‘We gaan erop af!’ Ze lopen naar het huis en zien op het naambordje Marianne van der Werf, geen Milou natuurlijk. Marianne doet open. ‘We doen onderzoek naar een vermiste persoon en we willen u een paar vragen stellen. Het gaat om een jonge vrouw uit Ommoord, mevrouw Ellen de Winter. Hier is haar foto.’ ‘Merkwaardig dat u hiervoor naar Bergschenhoek komt, ik heb u niets te zeggen, sorry.’ ‘U kent ook niet een kapster die Milou heet?’ ‘Neen hoor, ook nooit van gehoord, ik ga altijd naar een gewone kapsalon.’

Jan Willem en Ellen danken Marianne. ‘Realiseer je je dat ze iets merkwaardigs zei, namelijk dat ze zelf altijd naar een gewone kapsalon gaat, terwijl we alleen maar vroegen of ze een kapster Milou kent.’

‘Laten we eerst eens even nagaan wat we over haar te weten kunnen komen.’ Ze gaan naar het plaatselijke politiebureau. Ze vragen om een wagen stand-by te houden.

Marianne blijkt drie jaar geleden weduwe te zijn geworden; haar man was chirurg. Ze staat nu ingeschreven als zelfstandig communicatieadviseur. Ze heeft een eigen website. Daarop staat haar motto, ‘uw vraag is voor mij de hoofdzaak’. ‘ An, die tekst komt mij bekend voor, van dat kaartje dat we bij Ellen vonden, die overeenkomst kan geen toeval zijn.’

‘Jan Willem, ik houd het er op dat Marianne heel goed Milou kan zijn.  Ik denk dat we voldoende gronden hebben voor een nader onderzoek.’

Met een machtiging tot huiszoeking bellen ze nu opnieuw aan. ‘We moeten helaas nader onderzoek doen.’ ‘Nou ik vind het vreemd, maar ik heb niks te verbergen; kijkt u maar even rond, maar u stoort me wel bij mijn werk.’ ‘ Is boetseren uw hobby, mevrouw van der Werf?’ ‘Ja, dat is inderdaad een passie van me, , dat heeft u goed opgemerkt.’  ‘We willen graag ook nog even de tuin zien. Mooie bloemperken heeft u, die witte rozen staan er ook fris bij.’ ‘Dan willen we tenslotte nog even het tuinhuisje zien.’ ‘Hier ziet u nog meer resultaten van mijn huisvlijt.’ Op drie voetstukken staan borstbeelden, vier zijn er nog leeg. ‘Vindt u de beelden mooi?’

An trekt in stilte haar conclusie. Het verse bloembed, drie beelden van jonge vrouwen en het gebruik van het motto. Even kijkt ze jan Willem aan.

‘U staat onder arrest op verdenking van moord, u gaat mee naar het bureau. Jan Willem boeit de vrouw.  De politiewagen staat inmiddels voor de deur. ‘Hoe kan dat nou’, roept Marianne . ‘Uw borstbeelden zijn te goed gelukt mevrouw!’

 

© José van Rosmalen, 2013