Josevanrosmalen.nl
Home » impressies en herinneringen, jaren zeventig » Dwars door de Verenigde Staten, 1978

Dwars door de Verenigde Staten, 1978

 

In de zomer van 1978 maakten we een reis naar de Verenigde Staten en Mexico. Familieleden die in St. Louis woonden, vormden een mooie aanleiding. Er was een aanbieding van Eastern Airlines, een vliegmaatschappij die zich vooral op het oosten van de VS richtte. Voor 299 dollar per persoon kon je drie weken lang onbeperkt van het Eastern Airlines net gebruik maken. De maatschappij vloog op de hele oostkust, van Boston tot Miami, op Mexico, het Caribische gebied, New Orléans en enkele plaatsen in het westen, Los Angelos en Seattle.

 

Geleidelijk aan vormde zich een beeld van het reisprogramma. Gezien het feit dat bij de trans-Atlantische vluchten toen nog vooral Amsterdam- New York werd aangeboden, lag de start bij New York voor de hand. Vanuit New York gingen we naar Washington, alleen al vanwege de regeringsgebouwen. Vanuit Washington reisden we naar Orlando, het pretcentrum van Florida, met Disneyworld, Seaworld enzovoorts. Daarna reisden we naar New Orléans en vandaar naar Mexico City. Van Mexico vervolgden we de reis naar st. Louis en Seattle om van daaruit weer terug te gaan naar New York. Dat alles in drie weken.

 

 

We vertrokken rond de 20e juni. Door het tijdsverschil landden we maar twee uur later dan dat we opstegen. Het eerste dat opviel waren de particuliere zwembaden , die je vanuit de lucht goed kon zien. Zo tegen half zeven stonden we buiten de aankomsthal, waar vandaan bussen naar het centrum van Manhattan reden. In die bus kwam de indrukwekkende skyline op ons af. We kwamen bij een busstation, waar de taxi's af en aan reden. Het was duidelijk dat we een 'cab' moesten nemen, zoals de gele taxi's in New York worden genoemd. Op weg naar de 47e straat,waar het YMCA hotel was gevestigd. We kregen daar een piepkleine kamer, met twee bedden boven elkaar. Er stond een bakbeest van een zwart wit tv-toestel, waarop tientallen zenders waren te krijgen. Het hotel had rampzalig vieze toiletten. Bij het herentoillet hing er bovendien een onaangename sfeer, met steeds daar rondhangende mannen. Het toen populaire liedje 'cruisin at the YMCA'  bevatte toespelingen op homoseksuele contacten in het YMCA.

Vanuit de kamer zagen we het UNO-hoofdgebouw. Die eerste avond gingen we nog naar buiten, om wat te eten, op de hoek van de Second avenue. Het stratenplan leerde je snel, van boven naar beneden de avenues, van links naar rechts de streets. Two blocks away was dus twee straten verder. Alleen Broadway is bijzonder omdat deze diagonaal van rechtsonder naar linksboven loopt en de diverse avenues kruist. Het beroemdste kruispunt van de wereld is denk ik daarom de plek waar Broadway, Fifth avenue en de 42e straat elkaar ontmoeten: Times Square. Daar lijkt de wereld te zinderen van indrukken.

 

We aten pannenkoekjes met zoete stroop als ontbijt. We liepen de stad in. Daar zagen we een restaurant, waar je het eten helemaal verpakt kreeg: de Burger King, 'the home of the hopper'; toen kenden we dat in Nederland nog niet. Met een bus gingen we naar de westkant van Manhattan, om vandaar af met een rondvaartboot rond Manhattan te varen.

We zagen de bekende attracties: het Vrijheidsbeeld, de kerk tussen de hoge gebouwen bij Wall Street, het Wereldhandelsgebouw, Brooklyn Bridge, de eeuwige branden in the Bronx, het Yankee Stadium, de grauwe flats van Harlem, en dat alles vanaf een veilige afstand.

In die paar dagen deden  we veel. We gingen met de ondergrondse naar het Guggenheim museum. In het gebouw liep je zoals via de gleuven van een kurkentrekker geleidelijk naar beneden, zonder een tree af  te stappen. Er hing prachtige kunst. Ook indrukwekkend was het natuurhistorisch museum met opgezette dinosaurussen en veel informatie over Indiaanse culturen.

Op een avond aten we in een restaurant in ‘little Italy’ dat stond aanbevolen in onze toeristische gids. De gasten stonden buiten in de rij te wachten; dat heb je met van die aanbevolen restaurants. Terwijl we zaten te eten, keek ik the New Yorker door, een dik pak papier, met een overzicht van wat er in de stad te doen was. Ik zag dat Ry Cooder die avond in Carnegie Hall optrad, met het Golden Gate kwartet. Ik zei tegen mijn vrouw, ‘kom laten we het proberen’. Ze vond het wat jachtig en onzeker, maar we liepen naar de metro, door het wijkje Little Italy. Een man die aan de rechterkant in een auto zat, naast de bestuurder, probeerde me staande te houden en vroeg op een dwingende toon een muntje voor de ‘Kindergarten’. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest om niet mijn portemonnee te pakken, want het was ongetwijfeld een truc om te proberen een onnozele toerist  zijn portemonnee te ontfutselen.

Bij Carnegie Hall was het druk. Buiten zeiden mensen, dat ik bij hen 'prachtige' kaartjes kon kopen. Maar ik liep gewoon naar de kassa, waar voor 6,50 dollar per stuk nog kaartjes te koop waren, plaatsen op de derde ring, dus hoog in het theater, maar we hadden kaartjes.

Ry Cooder en het Golden Gate kwartet traden steeds een half uur a drie kwartier op en hielden dan pauze. Er waren daardoor wel drie pauzes. Bij de derde pauze vonden we het mooi geweest en vertrokken we met een 'cab' door de regenachtige straten van Manhattan. Bijna iedereen deed dat, zo leek het.

We lieten ons rondleiden door het UNO-gebouw; uiteraard zaten daar drommen mensen te wachten op hun rondleiding. We zagen de vergaderzaal van de Veiligheidsraad en diverse andere vertrekken. 

Buiten op straat, maakten we een praatje met een secretaresse die in het UNO-gebouw werkte. Zij at er haar lunch op een bankje.

 

Van New York vlogen we naar een vliegveld bij Washington. Ons hotel bleek aan de andere kant van de stad te liggen, vlakbij Alexandria. De reis er heen was nog een heel gedoe en het was knap warm die dag. Dat gevoel van warmte werd wellicht nog versterkt door de vele witte gebouwen in Washington. Uiteindelijk kwamen we met een bus bij ons Howard Johnson hotel aan, waar het zwembad lokte. Overigens was het hotel met die bus slecht bereikbaar; je moest nog een eind langs een Motorway  lopen. Amerika was meer eenzijdig op de auto georiënteerd dan ik was gewend, zo merkte ik wel.

 

We hadden maar één volle dag in Washington. We boekten daarom in het hotel een dagtocht waarbij alle 'highlights' werden beloofd. De twee gidsen op de bus waren negers, de passagiers vrijwel allemaal blanken, in mijn ogen voornamelijk 'middle class' Amerikanen. Wellicht verbeeldde ik het me, maar ik had het gevoel dat de twee mannen  niet openlijk maar wel verholen een lichte minachting voor het blanke publiek aan de dag legden. Ze spraken Amerikaans met een negroide accent, welllicht vergelijkbaar met hoe creoolse Surinamers het Nederlands uitspreken. Ze hadden het op een onnavolgbare toon over de ‘River Potomac’. We 'deden' inderdaad Washington in een dag. We reden langs het Witte huis, we werden in tien minuten door het Capitool rondgeleid, we gingen naar het Lincoln Memorial, we stonden bij het graf van Kennedy  en we bezochten het Smithsonian Institute, met name de kunsthistorische afdeling. Dat was een bijzondere verzameling, met veel bekende renaissance schilderijen.

In Washington was de ondergrondse veel mooier en schoner dan die in New York. In New York zat deze onder de graffity, in Washington was deze blinkend schoon. Met die metro kwam je in Washington langs bekende namen als het Pentagon.

 

Vanaf Washington vlogen we naar Orlando, midden in Florida. Het centrum van topattracties zoals Disney World, Sea World enzovoorts. Vanaf het vliegveld namen we een busje naar het hotel, een Holiday Inn. ‘The best surprise is no surprise, luidde het zelfgenoegzame motto. Het meisje bij de incheckbalie zei 'hello' mister 'Van' toen zij even in mijn paspoort keek. Is that your first name? Het Rosmalen was te lastig om uit te spreken. We bleven een dag of drie in Orlando. Uiteraard namen we een dag om Disney World te bekijken, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. We kwamen aan op de Main Street USA, met een geromantiseerd beeld van een klein Amerikaans stadje aan het begin van de twintigste eeuw. Pandjes in fondantkleuren; overal kon je wat te drinken krijgen of  eten.

 

Daarna kwamen de meer ‘woeste’ delen van Disneyworld, Frontierland, Tomorrowland, Adventureland. Sommige attracties waren zo Amerikaans chauvinistisch dat ik ze bijna lachwekkend vond. De 'hall of fame' met alle Amerikaanse presidenten, waarbij Lincoln zelfs even bewoog. Het Amerikaanse publiek was zichtbaar geroerd. We vaarden in bootjes en zaten in een soort vluchtsimulator. 's Avonds was er een verlichte parade, met duizenden lichtjes. Het lag er dik bovenop maar toch was het mooi. Ondertussen bedacht ik wel hoe het ondergrondse Disneyworld er uit zou moeten zien, de aan en afvoer van eten en drinken, van vuilnis, noem maar op. Dat zag je allemaal niet maar was er wel als voorwaarde voor het paradijs van illusies.

 

Op  de weg waar het hotel lag, lagen diverse hotels; er was ook een  Nederlands pannenkoekenhuis en een gebouw waar met 'Swedish girls' werd geadverteerd. De weg was vergeven van de reclamezuilen en de kitschbouwwerken; niets was er mooi.

 

In het hotel hing een lijst met attracties en hoe je daar kon komen. Een van die attracties was 'the Mall',  een groot overdekt winkelcentrum. Ik wist eigenlijk niet wat een mall was. Met een achtpersoonsbusje gingen we er naar toe; de chauffeur was een kingsize Amerikaan. Het was een graad of veertig, dus erg heet. We zaten een tijdje onder een boom die trilde van de hitte. Ik heb daar een foto van gemaakt. Toen gingen we naar de Mall om daar voorlopig niet weer uit te komen. De airco zorgde voor een aangename temperatuur. Het was een winkelcentrum en na een  tijdje hadden we het eigenlijk wel gezien, maar wilden we niet naar buiten. Pas 's avonds om negen uur kwam de dikke Grady ons weer halen, puffend en zwetend.

 

De laatste dag van de drie dagen Orlando vlogen we 's avonds naar New Orléans, via Atlanta. Ik stelde voor eerst met de bus op en neer naar Daytona Beach te gaan. Eigenlijk was dat gekkenwerk, zou ik nu zeggen. We kwamen in een deel van Orlando, waar alleen maar negers woonden, met huizen met balustrades. Het deed me denken aan opnames die ik wel eens van Paramaribo had gezien. Met de Greyhound bus gingen we naar Daytona. De bus kwam niet bij het strand, dus namen we nog een bus naar de Beach. Je werd daar bruin in enkele minuten. Het was een breed strand waar ook met motoren werd gereden. De lucht trilde boven de blauwe zee. We aten een hamburger in een strandtent.

's Avonds moesten we om zeven uur op Orlando Airport zijn. Eerst haalden we nog de koffers in de Holiday Inn.

Dat had wel wat, na zo'n dagje aan het strand nog even met een vliegtuig naar Atlanta en daar overstappen naar New Orleans. We kwamen daar laat aan. Op weg naar Atlanta was er noodweer, je zag de wolken onder je jagen. 's Avonds laat, na middernacht kwamen we in de Holiday Inn, een stuk buiten New Orléans. De volgende  dag was een maandag, de enige volle dag die we in New Orleans verbleven. 's Morgens dook ik in het zwembad. We gingen met een taxi naar het centrum, naar het zogeheten French Quarter. In dat oude centrum zie je Franse, Spaanse en Creoolse invloeden. Wat me opviel was dat er meer armoede heerste dan in het noorden. We liepen door straten met beroemde namen zoals Bourbon Street. Het jazz museum was op maandag helaas gesloten. We kwamen wel in de Preservation Hall of Jazz, waar ze Dixielandachtige muziek speelden. Een man sprak me aan in het Engels, maar na een paar tellen bleek hij een Nederlander te zijn. De illusie van ver van huis zijn was ook maar betrekkelijk.

Omdat we  de volgende dag naar Mexico City zouden gaan, probeerden we aan peseta's te komen. We liepen naar een Bankgebouw, vol marmer. Daar kwamen net een paar Mexicanen peseta's voor dollars wisselen. Voor het bedrag dat zij aan peseta's inleverden moesten wij 40 dollar meer betalen dat zij kregen. Daar komt nou dat marmer vandaan, dacht ik toen.

 

We aten die avond Creools voedsel in een restaurant. De ober was wel eens in Nederland geweest, vertelde hij. We liepen naar de Mississippi en zaten daar op een bankje naar het water te kijken.

's Avonds namen we de bus naar het hotel. Het bleek dat je daar met een bus niet helemaal kon komen; we moesten toen nog een eindje over een autoweg. We kregen een lift. We mopperden op het feit dat Amerika zo'n autoland was.

 

De volgende morgen rond tien uur zaten we in het vliegtuig naar Mexico City.  In het vliegtuig ging iemand langs met ontsmettingsmiddel. Dat hoorde er bij. We hadden een kamer geboekt in het Ritz hotel. In Amerika waren we gewend dat het aansluitend vervoer van vliegveld naar hotel via een soort jungle van elkaar overschreeuwende taxichauffeurs was geregeld of via bussen die je niet helemaal brachten waar je wilde wezen. Ik dacht onbewust dat dat in Mexico wel een graadje erger zou zijn. Het tegendeel was waar. Bij het vliegveld stonden busjes met de namen van hotels erop. Daarbij ook het Ritz. Een kruier in een rood pak pakte de koffers aan en we konden gaan zitten. We reden Mexico in tot aan de voordeur van het Ritz hotel. Daar was erg veel personeel. Diverse mannen bij de lift, vele kamermeisjes, veel personeel in het restaurant, een schoenpoetser vlak voor de deur.

 

In de reisgids hadden we gelezen dat het tempo bij het eten in Mexico traag lag. Naar Noord-Amerikaanse maatstaven mocht dat zo zijn, ik vond het wel ontspannend. We bevonden ons op loopafstand van het Zocalo, een plein met een oude kerk, in Spaanse stijl. In de buurt van het Zocalo waren allerlei openluchtactiviteiten en allerlei vormen van bedrijvigheid. Zo zag ik er een drukkerij van geboortedrukwerk en dergelijke, helemaal in de open lucht.

 

We bezochten het Teatro Folklorico, met pantomime en dans; we vonden het een indrukwekkende voorstelling.

 

Met een lijnbus vertrokken we naar de piramide van de zon en de maan. In de bus werd van alles vervoerd, waaronder kippen en geiten. Het stonk in de bus naar mens en dier. Maar voor enkele kwartjes overbrugden we een afstand van gauw veertig kilometer, eerst door een eindeloos gebied van krotten en allerlei kleine bouwsels, waar miljoenen mensen huisden, al wel vaak met televisie. Daarna kwam het meer open land, met metershoge cactussen. De twee piramides, van de zon en de maan, waren in hun stilte imposant. Er was ook het verhaal van de wreedheid, de vele mensen die er waren vermoord, ten tijde van de Incacultuur. Ten offer gebracht aan de goden, heette dat, maar natuurlijk toch door mensenhand vermoord.

 

In het antropologisch museum kon je in allerlei vitrines de resten van de verschillende indiaanse culturen bekijken; we besteedden een flink deel van een dag aan dat museum. Met de ondergrondse gingen we er naar toe. Het viel op dat de namen van de stations niet alleen met woorden maar ook met symbolen waren aangegeven. Er woonden natuurlijk veel analfabeten in de stad, zo realiseerden we ons.

 

Een andere dag gingen we mee met een busexcursie, langs diverse plaatsen, waaronder Oaxaca, de zilverstad en Quernicava, de plaats van de teloorgang van de hoofdpersoon van Onder de Vulkaan van Malcolm Lowry.

Het was een mooie tocht, ook qua natuur. Oaxaca ligt zo'n drieduizend meter hoog; het was er dan ook redelijk fris; uiteraard was het de bedoeling de toeristen de zilverwinkeltjes in te loodsen.

Quernicava was juist broeierig warm; dat ligt aanzienlijk lager, ook lager dan Mexico Stad.

 

Naast het hotel lag een bankgebouw. We moesten er nog wat pesos bij hebben en gingen er met onze American Express cheques naar toe.  Er stond een flinke rij. Een bankemployee gaf ons te kennen dat we door mochten lopen en niet in de rij hoefden te staan. Ik hoorde sissen 'gringo', volgens mij een uitdrukking voor vreemdeling. Ik had inderdaad de indruk dat buitenlanders werden voorgetrokken. Buitenlanders waren al gauw rijke stinkerds.

 

In Argentinië had het Nederlands elftal de finale gehaald en daarin van het gastland verloren. In het hotel hingen foto's van het voorbije kampioenschap.

 

Vanuit Mexico City reiden we op een zaterdag naar st Louis, waar we familieleden zouden treffen. We reisden eerst naar Atlanta, waar we rond de middag aankwamen. Daar moesten vijf uur landerig wachten in de vertrekhal en daar het gedoe van reizigers en vertrekborden bekijken. Eindelijk konden we inchecken. Toen ging er bijna iets mis. We zaten al in het vliegtuig en ik vroeg mijn vrouw nog eens de vouchers te bekijken. In mijn ticket ontbrak het voucher voor de vlucht van st Louis naar Seattle die we aansluitend zouden maken. Ik aarzelde niet en vroeg aan de stewardess of ik nog even het vliegtuig uitmocht naar de balie. Dat mocht nog net. De man keek tussen de terzijde gelegde vouchers en vond terug wat ik miste. Hij had per ongeluk twee van die dunne velletjes afgescheurd. Gelukkig had ik het nog ontdekt, want anders had ons reisschema pijnlijk in het honderd kunnen lopen. Na het risico van diefstal in New York was dit het tweede moment dat er iets fout had kunnen gaan.

 

's Avonds rond achten kwamen we in st Louis, weer in de warmte, Vanwege het hoogteverschil was het er een stuk warmer dan in Mexico. We werden opgewacht en gingen naar een voorstad van st Louis. De huizen waren gebouwd in een imitatiestijl van oude Engelse huizen. Na de voordeur stond je meteen in de huiskamer, er was geen hal.

 

We bezochten in st Louis de Arch, een bouwwerk in de vorm van een halve boog, zo'n tweehonderd meter hoog. Aan de voet ervan had je die hoogte niet in de gaten. Je kon met speciale voertuigjes naar de nok van het gebouw; omdat de richting geleidelijk aan van verticaal in horizontaal veranderde, moesten deze voertuigjes aan ingewikkelde eisen voldoen. Boven had je uitzicht op de stad en op de Mississippi. Je zag waar de staat Illinois begon.

Uiteraard maakten we een tochtje met een raderboot over het bruine water van de Mississippi. 's Avonds bezochten we een jazzconcert in de open lucht. De musici waren bejaarde mannen, maar ze hadden er zin in.

 

In een kleine tentoonstelling zagen we foto’s van Charles Lindbergh met Prins Bernhard.

 

We bleven drie dagen in st Louis. Vandaar reisden we naar de westkust, naar Seattle. We vlogen in een grote Boeing, dwars over de Rocky Mountains. We zagen sneeuwtoppen. Het was die dag 4 juli, een Amerikaanse feestdag. We gingen naar de stad, naar opnieuw een YMCA. Ik huiverde bij het idee van opnieuw zulke vieze toiletten te treffen zoals in New York, maar we kregen nu tegen een meerprijs een eigen kamer met bad.  We liepen die avond langs de baai, de Elliott Bay en zagen daar het vuurwerk. Seattle was een frisse stad, minder warm dan elders en met veel uitzicht op de zee en de omringende bergen. We maakten een tochtje in de haven en we gingen met een busexcursie naar het Mount Rainier National Park. Daar zagen we dikke dennenbomen en ruige natuur. Omgevallen bomen werden niet weggehaald, men liet de natuur haar gang gaan.

 

In Seattle was er ooit een wereldhandelstentoonstelling geweest. Daaraan had de stad een attractiepark en een uitzichttoren overgehouden, de Space Needle. We gingen met een lift naar de top van die Space Needle, vanwaar je een prachtig uitzicht had. De dag daarvoor had een vrouw zelfmoord gepleegd door van die toren af te springen, zo las ik in de krant. Je kon nog zien waar de spijlen waren verbogen. De terughoudendheid van Nederlandse kranten bij zelfmoordgevallen werd in Amerika niet betracht; de vrouw werd met naam en adres vermeld.

 

We aten in de Chinese wijk. Soep uit grote borden en een rijsttafel met stokjes. Het was heerlijk eten.

In Seattle reden de stadsbussen gratis; de chauffeurs waren bovendien zeer voorkomend. Dat kon toch maar in een kapitalistisch land.

 

We moesten geleidelijk aan weer naar huis, uiteraard via New York. We verbleven daar nog een klein etmaal. We gingen weer over st Louis en vervolgens over Charlotteville en nog een plaats, naar New York. Alles bij elkaar nam het vliegen de hele dag in beslag, mede door het ‘nadelige’ tijdsverschil. We kwamen 's avonds op Manhattan. We sliepen in het Edison hotel, vlakbij Times Square en Broadway, dus in het drukste deel van Manhattan. Het was een groot hotel met een aantal incheckbalies in de lobby. We kregen een kamer ergens op de twaalfde verdieping; op de kamer kon je je verbeelden in een Frans dorpshotel te zitten, met oud behang en uitzicht op een luchtkoker. We aten bij een Howard Johnson daar in de buurt; dat kon nog bij elven. Ik liep nog een rondje naar de Achtste Avenue, maar merkte dat het daar tamelijk louche en broeierig was; mannen en vrouwen, meest negers, stonden voor allerlei tentjes en uitspanningen het langskomende volk te bekijken. Weer terug in het hotel liep ik nog even de bar naast de lobby binnen; daar zong een zanger in een jaren dertig stijl, het leek in niets op die wereldstad daarbuiten, maar kenmerkend voor die stad is juist dat van alles en nog wat zo vlak bij elkaar en naast elkaar gebeurt.

 

De laatste dag liepen we nog wat door Manhattan.  We bezochten de New York Experience, een filmshow met verschillende schermen tegelijk. Het was bij het Rockefeller Plaza. Beneden bedelde een blinde man.

 

We hadden de koffers in een kluis bij het grote busstation laten staan. We kochten een paar langspeelplaten, van Bette Midler en Janis Ian; ik deed ze in mijn rugzak, waarin ze door de bamboespijlen goed pasten. We dronken nog een cocktail in een bar. Ik nam in gedachten bewust afscheid van New York en nam daarbij die chaotische metropool nog een keer in mij op.

Ik bedacht dat het kapitalisme onmiskenbaar verfoeilijke elementen had, maar dat het toch te prefereren was boven het Sovjetdirigisme. New York of Leningrad was het verschil tussen een zinderende stad en een voor toeristen opgehouden façade.

 

In de bus naar het vliegveld hoorde ik onderweg bij een van de terminals een verschrikkelijke knal. Ik zag mensen in paniek weglopen. De bus reed verder. Ik weet niet of er toen vuurwerk afging of een pistoolschot werd gelost, dat was ook niet te zien. In het vliegtuig kregen we weer een KLM-bemanning, ‘your captain speaking’, in het Engels en het Nederlands. Hij had het over een kist en de grote plas. Corpsballentekst. Ook de stewardessen hadden iets ‘Leids’ over zich, met hun blauwe mantelpakjes en ‘wilt u de Telegraaf van vanmorgen meneer’. Zo lazen we in de door de vlucht verkorte nacht van zaterdag op zondag de Telegraaf van die ochtend. Gedurende enige uren werd het licht gedempt om enige rust te bieden. En toen was het in Amsterdam zeven uur 's morgens.

 

Wat is Nederland klein en ordelijk, dacht ik, toen we met de bus naar Rotterdam reden; dorpjes, steden, kerktorens, koeien in het gras. Daar heb je Leiden, daar heb je den Haag, daar heb je Delft, daar sta je in Rotterdam. Weer thuis!

 

© José van Rosmalen, 2013

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.
0 stemmen