Josevanrosmalen.nl
Home » impressies en herinneringen, jaren vijftig » De jaren van horen zeggen, 1947-1951

De jaren van horen zeggen, 1947-1951

 

 

Ik werd op 14 mei 1947 geboren, aan het begin van de warmste zomer van de 20e eeuw. Ik kwam omstreeks middernacht ter wereld, in de nacht van 13 op 14 mei. De dokter zei, 'laten we er maar de 14de van maken.' Mijn moeder lag met mij in het Homeopathisch ziekenhuis aan de westkant van Utrecht, toen nog in de gemeente Oudenrijn gelegen, een gemeente die al lang niet meer bestaat.

Er is een foto die mijn vader op mijn eerste levensdag van mij maakte, in de armen van zijn moeder, mijn oma. Zij was toen voor in de vijftig maar ziet er met haar zwarte mantel en pothoed, die ze ook op die hete dag droeg, uit als een oude dame. Ook zijn er foto’s van mijn eerste jaren die zijn genomen in het ouderlijk huis van mijn oma van moederskant, in het Majellapark in Utrecht west en in het café-restaurant de Hommel.

Het is een periode waarvan ik niets uit eigen herinnering weet, alleen de dingen die ik later  hoorde van mijn moeder. Zoals de volgende anekdote:  'We liepen over de Vleutenseweg. Alle deuren waren geschilderd, eentje nog niet. Toen ook die op een dag groen was geverfd hield je juist voor die deur stil en wees ernaar.'

Een ander verhaal is dat mijn moeder met mij op bezoek ging bij de ‘oude Vos’, de vader van de tekenaar Peter Vos. Hij was weduwnaar. Toen ik anderhalf was en daar met mama op bezoek zei Vos met statige stem  'mevrouw, ik heb helaas geen sigaretten in huis'. Ik hoorde dat woord en pakte even later een pakje sigaretten onder een kussen vandaan. De oude Vos griste het uit mijn handen en mijn moeder deed of ze niets had gezien. In 1948 heerste er nog veel schaarste, dus het niet willen uitdelen van (dure) sigaretten was voor die tijd wel begrijpelijk.

Ik werd José genoemd. De bedoeling van mijn ouders was om dat op zijn Spaans uit te spreken. Gossee. Maar de familie uit den Bosch maakte daar gossie van, het week te veel af van namen als Sjef, Niek en Ad. Daarom werd het José, zoals je het schrijft. Later werd ik met mijn naam wel eens gepest, 'je hebt een meidennaam'. Vooral in Brabant heten nog al wat meisjes Josée of ook José. Niet alleen als kind maar ook in mijn volwassen leven heb ik me wel eens ongemakkelijk gevoeld over die voornaam, vooral als mensen er nogal nadrukkelijk op reageren. Mijn voornaam zou dan ook niet mijn eigen keuze zijn geweest, maar er komt in je leven ook een moment dat je denkt, zo heet ik en ik accepteer dat.  

Mijn moeder kon niet hard lopen. Ze was bang dat ik buiten weg zou lopen en hield me daarom vast aan een tuigje, zodat mijn actieradius beperkt was. Hoewel ik me er zelf niets van herinner, heb ik me later wel eens afgevraagd of ik dat als klein kind toch niet onbewust als een beknotting van mijn drang tot bewegen en spelen heb ervaren. Haar handicap die later ook de mijne zou blijken te zijn, had in ieder geval invloed op wat ze kon of durfde en op wat ik daardoor kon of niet kon doen.  

Ik had als kind thuis wel het nodige speelgoed. Ik speelde met blokken, maar ook met een pop. Het klinkt misschien niet erg ‘jongensachtig’, maar de pop die ik had koesterde ik als het ‘jongensjongetje’. Toen ik een jaar of drie was heeft mijn vader een schilderij gemaakt van mij en van al het speelgoed dat ik toen had. Hij heeft er later zelfs op mijn verzoek nog dingen bijgeschilderd. Dat schilderij stelt als kunstwerk niets voor, maar het is voor mij wel een belangrijke herinnering. Daarom heb ik het ook nu nog in huis.

Mijn ouders woonden in Utrecht in een bovenwoning bij een hospita, in Utrecht west. Mijn moeder kon niet opschieten met die hospita en ze was zelfs bang voor haar en vertrouwde haar niet. Ik kan natuurlijk niet over die hospita oordelen, het was mogelijk een kreng, maar mijn moeder nam zeker ook haar eigen angsten mee. Die van de oorlog die nog maar enige jaren achter haar lag, die van het ouderlijk gezin, zonder vader en met een dominerende oudste zus, die van haar kostschoolverleden in Mook bij Nijmegen. Bij de beelden die ik als kind van mijn moeder meekreeg, ben ik me pas later gaan realiseren dat die beelden ook gekleurd waren door haar eigen verleden. Dat neemt niet weg dat de inwoonsituatie voor mijn ouders en voor zo vele anderen in die tijd geen pretje was. Je had niet je ‘eigen’ toilet of douche, je rook niet alleen je eigen etenslucht, je voelde je onvermijdelijk minder vrij. Dat alles heette toen de naoorlogse woningnood.

Mijn vader werkte bij de katholieke uitgeverij het Spectrum. Zijn directeur achtte hem als ex-priesterstudent en Brabander wel geschikt om in Brabant en Limburg missalen en andere katholieke werken te slijten, door langs kloosters en boekhandels te gaan. Zijn werkplek bleef overigens voornamelijk in Utrecht.

Mijn ouders kregen een huurwoning, een noodwoning bij het oude Orthen in Den Bosch. In de winter van 1950 op 1951 brachten mijn ouders met mij eerst een week of zes in Milsbeek door, bij mijn moeders schoolvriendin en haar man.

In het voorjaar van 1951 kwamen we in Orthen bij den Bosch, op de Sint Rochussenstraat 245. Ik was toen nog geen vier. We woonden op een hoek. Om de hoek was de Schaarhuisstraat en daarachter de Ketsheuvel die uitkwam bij het zandje op de weg naar Herven. Het zandje lag bij de Kleine Wielen en de Grote Wielen, twee vennetjes. De familie van mijn vaders kant woonde grotendeels in den Bosch, aan ‘opa en oma’ en ook aan ‘ooms en tantes’ zouden we dan ook vele bezoeken brengen. Met de familie van mijn moeder stond het contact inmiddels op een laag pitje. Mijn moeder moest nu wennen aan een Brabantse stad en aan een uitgebreide schoonfamilie en met name ook aan de kritische blik van ‘oma’, haar schoonmoeder.

Ze hadden nu een zelfstandig huis, maar nog met beperkt comfort. Er was geen douche. Mijn  moeder waste mij in een teil, totdat ik daar te groot voor werd. Ook de buurt was zeker niet zonder problemen, de buurt had veel kenmerken van wat in de taal van nu een achterstandswijk heet, maar toen was de term ‘asocialen’ minstens zo gangbaar.

Mijn eerste bewuste herinneringen gaan terug tot 1951; met de beste wil van de wereld lukt het me niet om me iets van daarvoor te herinneren. Die eerste vier jaar zijn voor mij dan ook ‘de jaren van horen zeggen’,  maar daarom niet minder belangrijke jaren.  

© José van Rosmalen, 2013

 

spelend met 'jongensjongetje'

jose-spelend-met-pop.large.jpg


0 stemmen