Josevanrosmalen.nl
Home » impressies en herinneringen, jaren vijftig » Opgroeien in een probleemwijk, 1954-1956

Opgroeien in een probleemwijk ( 1954-1956)

 

Ik werd de klas ingedragen door de onderwijzer. Het was november 1954, net na de herfstvakantie. Meester de Groot was al bij ons thuis geweest, omdat ik eerst zes weken in het Groot Ziekengasthuis lag en daarna zes weken thuis met beide benen in het loopgids. Ik leerde toen voetje voor voetje lopen, na een operatie aan beide voeten. Meester de Groot had een boek bij zich over een jongetje dat in een kraal in Afrika woonde. Hij sliep op een matje. Op een dag zag hij een witte man, het bleek een missionaris. Het jongetje wist eerst niet wat goed en slecht was maar leerde dat van de witte man. Zijn ouders wisten niet beter, maar het jongetje leerde wat stelen was. Hij werd catecheet. Zo leerde ik Afrika kennen!

Hier is hij dan, zei de meester, toen hij me op mijn plaats zette, in de tweede klas van de st. Lambertusschool in Den Bosch. Er zaten zesenvijftig kinderen in de klas, het woord kansarm was toen nog niet uitgevonden.

Wij woonden in een buurt met naoorlogse noodwoningen zonder verdieping, ik als enig kind met mijn ouders; er woonden ook gezinnen met tien of twaalf kinderen. Vlak achter ons woonde een gezin, waar ‘mijn kamer’ aan de parkieten toebehoorde en drie kinderen op de gang sliepen, zonder ventilatie of daglicht. Vijf van de twaalf kinderen stierven jong.

Zo waren er meer gezinnen met problemen. Je zag of hoorde soms dronken mannen buiten, de tuinen werden vaak vernield, thuis viel het woord ‘asocialen’. Bij de kruidenier op de hoek werd veel op de pof gekocht, totdat de kruidenierster weigerde nog te verkopen. De pastoor had het druk met het bijspringen in noodgevallen.

Frans de Groot liet de kinderen veel tekenen. Dankzij hem had ik het er naar mijn zin. 'Je kunt goed leren. Dat jungske wordt later professor', zeiden ze op het schoolplein. Daar speelden we tot de bel ging. Dan moesten we ons in twee rijen opstellen en een voor een naar binnen gaan. Het schoolhoofd keek toe. Ik heb een tekening gemaakt toen mijn ouders negen jaar getrouwd waren. Daar mocht ik in de klas de hele dag aan werken.

Frans de Groot was een onderwijzer van net twintig met een grote en moeilijke klas. En toch ging het goed. Hij was niet gauw boos en stimuleerde de kinderen om veel te tekenen. En hij kon orde houden. Dat konden ze niet allemaal. Een kapelaan, die godsdienstles gaf, liet de kinderen 'Jezus en de storm op het meer' spelen. De onderwijzer was daarbij niet in de klas. De kinderen gingen op stoelen staan en joelen. Het schoolhoofd maakte zich ernstig zorgen over die kapelaan, begreep ik later.

In de derde klas had ik ook een jonge onderwijzer. Er zaten toen een paar jongens van dertien in de klas, voor het zevende jaar op de lagere school. Ze konden nauwelijks lezen maar hun leerplichtperiode hadden ze uitgezeten. De onderwijzer was negentien jaar. Hij was dan weer vriendelijk, dan weer viel hij uit. Hij probeerde de kinderen te paaien. Zo zei hij een keer 'jullie gaan leuke dingen doen, zoals dingen wegen'. Toen alles klaar stond werd hij boos en moest alles weg. Daarover was ik erg teleurgesteld. Ik keek veel uit het raam, naar de nieuwe kerk die op het Schaarhuisplein werd gebouwd, mijn cijfers werden lager. Alleen moeilijke sommen vond ik leuk, dan lette ik op, maar meestal fantaseerde ik. De bouw van de kerk was spannend, vooral toen er grote kuilen waren en bergen zand. Op school werd een wedstrijd gehouden om maquettes en tekeningen van de nieuwe kerk te maken. Daar deden ook volwassenen aan mee. De prijs was voor een maquette die uit lucifers bestond die aan elkaar waren gelijmd. De kerk was een soort vierkant met een hoed erop en een toren erbij. We leerden er biechten met de hele klas. Daar moest je vertellen wat je zonden waren. De priester vergaf je die in de naam van God. Verder zou hij het aan niemand vertellen, dat was het biechtgeheim. Met de klas zaten we in de kerk, ieder met een kaars in de hand. Sommige jongens lieten expres kaarsvet op de banken druipen. Een voor een ging je de biechtstoel binnen. De kapelaan sprak fluisterend in het halfduister door een rooster, eerst in het Latijn en toen 'vertel het maar'. 'Ik ben wel eens niet aardig geweest en heb wel eens boze woordjes gezegd.' 'Bid dan maar drie onze vaders.' Later werd het een techniek. Je bedacht twee of drie dingen die je had misdaan of zou kunnen hebben misdaan en in de wachttijd bij de biechtstoel repeteerde je die.

 

In de vierde klas kreeg ik een wat oudere onderwijzer, Van der Schoot. Ik begon dat jaar weer met uit het raam te kijken, maar hij trok mij er bij. Hij maakte met de klas een soort competitie, de Tour de France. Dat deed hij de laatste maanden van het schooljaar. Je had ploegen en ploegleiders. De schoolcijfers waren beslissend voor de resultaten van de ploeg. Dat liet ik niet op me zitten, ik ging weer goede cijfers halen. Eerder haalde hij dezelfde truc uit met het schoolreisje, 'een aantal kan mee maar je moet het wel verdienen'. Toen ik het 'verdiende' was ik dolblij. Maar uiteindelijk ging de hele klas mee en bleek iedereen het te hebben verdiend.

Dat schoolreisje ging naar Artis. Bij Zaltbommel mochten we al plassen in de berm. Dat kon toen nog langs de Rijksweg. Amsterdam had huizen beneden en boven, met namen als Oud Zuid, Centrum en West. Een ander schoolreisje ging naar Rotterdam, Den Haag en Breda. Eerst maakten we een rondvaart in de haven, later kwamen we op het strand en bouwden daar kastelen. Daarna gingen we naar de Warande in Breda, met een grote roeivijver. Het was al laat in de middag en ik was moe. Ik viel met mijn kleren aan in het water. 's Avonds na negenen kwamen we in Den Bosch. Voordat ik thuis kwam hadden twee klasgenoten bij mijn ouders aangebeld met de boodschap dat ik was verdronken. Doorweekt en moe kwam ik even later thuis.  

 

José van Rosmalen

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.
0 stemmen