Josevanrosmalen.nl
Home » essays, beschouwingen » Het is hem echt!

Het is hem echt!

 

NB: dit stuk is geschreven in 1998. De namen zijn niet meer allemaal actueel; het onderwerp beeldvorming is dat wel

 

Op zes mei schakelde ik tegen acht uur ‘s avonds het toestel in. Er was een directe reportage vanaf het stembureau in het  Tweede Kamergebouw. Daar kwam de laatste stemmer aan, meneer Bles uit den Haag. Ik kende hem van het programma het Lagerhuis, waarin hij de rol vervult van ruwe bolster, blanke pit Hagenees. En wilt u ook vertellen waarop u gaat stemmen? Meestal ga ik niet stemmen, maar deze keer op de òdderenpartè, zei hij in onvervalst Haags. Toen ik dat zag, dacht ik een paar dingen. Mijn eerste gedachte was, wat toevallig, dat die inmiddels bekende onbekende Nederlander nou net als laatste gaat stemmen. Meteen verwierp ik die gedachte, dat is geen toeval. Meneer Bles is gevraagd om op te komen draven en voor een leuk plaatje te zorgen. Via de redactie is dat zo geregeld. Televisie registreert immers niet alleen de werkelijkheid, televisie maakt deze ook.

Als er een symposium moet worden georganiseerd,  komt vaak de vraag aan de orde of niet een ‘bekend smoel’ als trekker moet optreden. Victor Deconinck of Paul Witteman voldoen hieraan in hoge mate. Dat komt dan ook tot uiting in de bedragen die aan hun optreden verbonden zijn. Er zijn ook tal van mindere goden die toch ook ‘bekend van televisie’ zijn, die in aanmerking komen om een activiteit op te luisteren. Je haalt daarmee bekendheid in huis. Kijk het is hem echt!  Een volstrekt onbekende dagvoorzitter presteert overigens veelal  beter dan een televisiepersoonlijkheid.  Maar het heeft kennelijk wat om de nabijheid mee te maken van iemand die via de televisie anders alleen maar nabijheid  suggereert.

Zo’n kleine veertig jaar geleden zag ik een zwemofficial op de televisie. De volgende dag zag ik de man in het zwembad. In zijn zwembroek. Ik hoorde mensen zeggen, ik zag u op de televisie. Ik keek naar de man of ik iets bijzonders aan hem kon zien. Hij was kalend, had een zwarte bril en zijn stem herkende ik. Kennelijk maakt de televisie mensen interessant en worden zij uitvergroot tot meer dan hun alledaagse proporties. Deze gedachte is een moderne vorm van mystiek, van irrationaliteit. Want door de televisie ‘bekende Nederlanders’ onderscheiden  zich in kwaliteiten waarschijnlijk maar weinig van ‘onbekende Nederlanders’. Voor sommigen lijkt het bekende Nederlander zijn een doel op zich. Het jurylid Jacques d’ Ancona, de achtervolgingsjournalist Willebrord Frequin,  de geaffecteerd pratende G.J. Dröge ,( in 2013 Kelder) lijken me daarvan voorbeelden. Televisiebekendheid draagt immers bij tot je uitstraling en marktwaarde,  ook los van je feitelijke capaciteiten.

De macht van televisie om mensen uit te vergroten is de bron van mediageilheid. Sinds de komst van de commerciële televisie zijn de scrupules om mensen op allerlei manieren aan het medium bloot te stellen steeds meer verdwenen. Het motto van een programma als ‘Sex voor de Buch’ is dat mensen het zelf willen. We helpen mensen om hun dromen of fantasieën te verwezenlijken, heet het hypocriet.  Ze mogen desnoods klaarkomen in een bad vol vanillevla.

Zo kun je al zappend van alles tegenkomen, van walgelijke onzin tot interessante programma’s. Ik erken dat ook walgelijke onzin zoals een programma van Jerry Springer soms fascineert. Mensen worden daarin in hun domheid en platvloersheid geëtaleerd. Als je lelijk, jaloers, overspelig en gewelddadig bent, kun je het altijd nog op de televisie vertellen!  Wat er ook gebeurt, u bent wel zelf verantwoordelijk voor uw verhaal. Soms voel ik ook gêne bij programma’s die door serieuze publieke omroepen worden gemaakt, zoals het programma Spoorloos, waar aan het eind iemand steevast een halfzus of een onbekende biologische vader in de armen valt. Ik zie de emoties maar ook dat die emoties in beeld worden gebracht terwijl ze eigenlijk van die mensen zelf zijn. Mijn boosaardige gedachte is, de KRO  betaalt het ticket en zonder de KRO hadden ze elkaar niet gevonden. Daarvoor moeten ze wat terugdoen! 

In 1961 kochten mijn ouders een televisie. Ich bin ein Berliner zei Kennedy bij zijn bezoek aan Berlijn. Later zag ik hoe hij in Dallas werd doodgeschoten. De televisie zorgde er voor dat die gebeurtenissen onuitwisbare indruk maakten. Toen drong voor het eerst een wereldomvattend kijkmedium in vele miljoenen huiskamers direct door. Er was  nog niet de afstomping van de verwende en vermoeide kijker. De mensen hadden nog minder ‘beeld’ nodig om hun aandacht te trekken en vast te houden.

De kijkcultuur heeft ook de krant veranderd. Wat de televisie voor heeft op de krant en andere gedrukte media is het levende en directe beeld. De krant moet het hebben van de heldere uitleg, het presenteren van feiten en achtergronden en van de gezellige verhalen.  De krant moet door de televisie steeds meer amuseren. Als je een NRC of een Volkskrant uit het jaar 1960 zou terugzien, treft vooral het beperkt aantal foto’s, de weinige columnachtige teksten en de saaie opmaak.  Voor die dingen had je de wekelijkse tijdschriften. De krant moest sindsdien levendiger worden om te overleven, meer tegemoetkomen aan de kijk- en zapcultuur.  

Uit communicatieonderzoek is bekend dat mensen de meeste  informatie opnemen door wat zij zien, vervolgens door wat zij horen en pas in de laatste plaats door wat zij lezen. Maar het totale beeld is weer gecompliceerder als je de media met elkaar combineert. Iets zien en er over lezen kan in combinatie veel effectiever zijn dan iets alleen maar zien.

De tegenwoordige krantenlezer leest vaak over dingen waar hij ook iets over ziet. De krantenlezer van vijftig jaar terug zag over Drees, Romme of Oud berichten in de krant. Af en toe kwam er een ‘hooggeplaatst persoon’ op het Polygoon filmjournaal of op de radio. Maar mensen hadden ternauwernood een beeld van de alledaagse ‘mens’ Drees, Romme of Oud. Er was ook weinig vraag naar dat soort informatie. Dat regenten minder regentesk zijn geworden wordt wel eens toegeschreven aan de culturele veranderingen van de jaren zestig. De indringendheid van het medium televisie heeft het voor politici echter noodzakelijk gemaakt gebruik te maken van het medium. Hierdoor komt hun alledaagsheid meer tot uiting, anderzijds draagt het juist bij tot hun uitvergroting. 

Kwaliteiten die mensen toeschrijven aan personen die vaak op de televisie verschijnen zijn in letterlijke zin beeldvorming. Mensen zien dat Wim Kok goed uit zijn woorden komt, niet meer de verkeerde pakken draagt en zijn komaf als polderjongen gedoseerd weet te brengen. Maurice de Hond verzekert regelmatig dat mensen hem een beetje saai maar heel betrouwbaar vinden. Bolkestein durft het debat aan, maar aan hem zou je ‘het land’ toch niet direct toevertrouwen, zo vinden zelfs veel van zijn partijgenoten.  Veel mensen vinden dat Rosenmöller het uitstekend doet in de debatten en dat mevrouw Borst zo aardig relativeert. Vaak hoor je mensen zo praten, je hoort mensen waarderende of  kritiserende dingen over mensen zeggen die ze op televisie zagen. Zo is Kok, zo is Borst, zo is Bolkestein. Of zien we alleen het beeld dat zij of mensen om hen heen creëren?  Laat een  gesprek bij Sonja,  Paul of Karel de echte Wim, de echte Frits of de echte Els zien? Alleen al het familiaire gebruik van voornamen suggereert van wel. Ook Jan Marijnissen is bij Sonja Barend toch vooral een gewone man. Door dergelijk mediagebruik heeft hij de Socialistische Partij meer salonfähig gemaakt dan deze in de jaren zeventig was. Voor de goede orde, hij blijft tegen het systeem van kapitalistische productie maar hij legt ook geld opzij om een paard voor zijn dochter te kunnen kopen. Zo iemand kan toch geen gevaar voor de staat zijn! 

Het Internet is een volgende stap  in de mediaontwikkeling. Je kunt boodschappen ontvangen, maar ook uitzenden,  over de hele wereld. Na de televisie kan het internet tot nieuwe mythevorming over wereldwijde communicatie bijdragen; je moet  wel erg goedgelovig zijn om te denken dat surfen op het net tot meer begrip tussen burgers over de wereld leidt. Wel wordt de alledaagsheid van mensen over de hele wereld  meer zichtbaar.

Het leuke van Nederland is dat je uit veel media kunt kiezen. Wat je weet via het ene medium kun je combineren met de informatie van het andere. Je kunt daardoor ook beelden bij jezelf corrigeren. Soms zegt één blik meer dan  duizend woorden, soms maakt een geschreven verhaal een flitsende gedachte in je los. Informatieoverdracht via de media is geen eenrichtingsverkeer meer, ook geen interactief tweerichtingsverkeer maar steeds meer veelrichtingsverkeer. In negatieve zin kan dat uitlopen op een informatiejungle waar het recht van de sterkste geldt; in positieve zin op een nog meer open en democratische informatiesamenleving. Hiertoe is de feitelijke toegang van iedereen tot informatie belangrijk. De televisie is een gevestigd medium geworden dat wordt bedreigd door haar schijnbare vanzelfsprekendheid. Zoals de krant zich heeft moeten aanpassen aan de kijkcultuur, zo moet de televisie zich nu aanpassen aan ieders recht om te zenden en te ontvangen. De tijd van de beeldreligie is voorbij. Voortaan is iedereen hem echt!

 

© José van Rosmalen, 1998, 2013